ECLI:NL:GHARL:2026:401
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Uitspraak
- 22 januari 2026
- Zaaknummer
- 21-003917-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht; Strafprocesrecht
- Procedure
- Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Veroordeling voor poging tot zware mishandeling en mishandeling. Bewijsoverwegingen. Het hof komt tot het oordeel dat deze feiten in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. Veroordeling tot gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek van voorarrest en TBS met dwangverpleging. Overwegingen over de oplegging van TBS aan verdachte als ongewenst verklaarde vreemdeling.
Uitspraak
Feit 3
1. De verklaring van verdachte op de zitting van de rechtbank van 22 augustus 2025, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:
Het klopt dat ik die medewerker (het hof begrijpt: de medewerker met nummer [dienstnummer1]) klappen heb gegeven.
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige onder nummer 030084608, opgenomen op pagina 97 van voornoemd dossier, voor zover inhoudende als verklaring van getuige onder nummer 030084608:
Op 19 mei 2024 was ik werkzaam bij de Penitentiaire Inrichting te [plaats] . Op een
gegeven moment liep Ergün (het hof begrijpt: verdachte), langs mijn collega, [dienstnummer1] , toen hij hem naderde gaf hij hem een bodycheck, hiermee bedoel ik dat hij langs hem heenliep en expres tegen zijn schouder aanliep. Wij ging met z'n drieën naar de cel. Mijn collega, [dienstnummer1] , stond in de deuropening van de cel en sprak de gedetineerde aan op zijn gedrag. Ik zag dat de gedetineerde dichter bij hem ging staan. Geheel onverwachts gaf de
gedetineerde hem twee vuistslagen in zijn gezicht. Ik zag dat hij dit deed met zijn rechtervuist. Ik zag dat hij mijn collega op zijn gezicht raakte net onder zijn oog.
3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 21 mei 2024, opgemaakt door [verbalisant] , opgenomen op pagina 94 van voornoemd dossier, voor zover inhoudende als bevindingen:
Medewerker (het hof begrijpt: de medewerker met nummer [dienstnummer1]) kreeg meerdere klappen te verduren op zijn aangezicht en hals. Als gevolg daarvan had de medewerker er een opgezwollen jukbeen en lip aan overgehouden. Ook had de medewerker een bebloede lip en bloed in zijn mond. Ook zijn de gevolgen voor de medewerker dat hij last heeft van zijn nek.
4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige onder nummer [dienstnummer2] , opgenomen op pagina 99 van voornoemd dossier, voor zover inhoudende als verklaring van getuige onder nummer [dienstnummer1] :
Ik was werkzaam in de Penitentiaire Inrichting te [plaats] . Geheel onverwachts zag ik dat de gedetineerde (het hof begrijpt: verdachte) uithaalde naar mijn collega met nummer [dienstnummer1] . Ik zag dat hij hem sloeg, ik denk dat het twee keer was. Ik zag dat hij mijn collega in zijn gezicht raakte. Ik zag later dat mijn collega een schram net onder zijn oog had.
Bewijsoverweging
In hoger beroep is het strafrechtelijke verwijt aan verdachte een poging tot zware mishandeling, dan wel bedreiging (feit 1) en een mishandeling (feit 3). Verdachte ontkent deze feiten te hebben gepleegd.
De raadsvrouw van verdachte heeft vrijspraak bepleit van feit 1. Verdachte verklaart te zijn bedreigd door aangever. Hij ontkent dat hij een mes bij zich had en geprobeerd heeft verdachte te steken.
De raadsvrouw voert geen verweer over feit 3. De verdediging laat de beslissing hierover aan het hof.
Het hof oordeelt dat de rechtbank in het vonnis bij de beslissingen over de feiten de juiste afweging heeft gemaakt. Het hof baseert de bewijsoverwegingen dan ook grotendeels op de bewijsoverwegingen van de rechtbank. Daarbij worden wel enkele onderdelen aangevuld of aangepast.
Feit 1 primair
Feit 1 primair is wettig en overtuigend bewezen. Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen volgt dat verdachte op 11 mei 2024 opzettelijk geprobeerd heeft om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door te steken met een mes naar het lichaam van aangever.
Het hof heeft op basis van de inhoud van het dossier bij de beoordeling van dit feit de volgende feiten – waaronder de context – in overweging genomen. Aangever zat als bestuurder in zijn auto. Hij stond met zijn auto op de parkeerplaats bij een coffeeshop in [plaats] . De ramen van de auto waren geopend vanwege de warmte die dag. Verdachte was met zijn scooter ook op deze parkeerplaats. Aangever herkende verdachte van een eerdere confrontatie. Aangever wilde met zijn auto wegrijden vanaf de parkeerplaats om weg te komen. Bij het wegrijden moest aangever even wachten en stilstaan. Vervolgens kwam verdachte op een naar de auto van aangever toe en stond daar dreigend, hij haalde uit zijn broekband een groot keukenmes. Door het openstaande raam van de auto heen maakte verdachte met dit mes een stekende beweging in de richting van het lichaam aangever. De verklaringen over deze gebeurtenissen van aangever en de personen die bij aangever in de auto zaten komen in essentie overeen.
Het dossier, meer specifiek daarin: de camerabeelden, geeft geen enkel aanknopingspunt voor de verklaring van verdachte, namelijk dat aangever verdachte zou hebben bedreigd op de parkeerplaats. Het hof heeft ook geen enkele reden om aan de verklaringen van aangever en de getuigen te twijfelen. Aangever is direct na het incident gehoord door de politie. De getuigen beschrijven dat het incident erg snel verliep. Dat kan heel goed verklaren waardoor er wat de details in de verklaringen betreft onderlinge verschillen zitten tussen deze verklaringen. Het hof heeft daarnaast gezien dat aangever en de getuigen, die zich voor en achter in de auto van aangever bevonden, ieder voor zich vanuit eigen gezichtspunt verklaren. Het hof ziet geen aanwijzingen dat onderling is afgestemd tussen aangever en de getuigen en het hof vindt deze verklaringen dan ook betrouwbaar.
Vervolgens is het de vraag of verdachte met zijn handelen geprobeerd heeft om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Onder zwaar lichamelijk letsel wordt op grond van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) onder andere verstaan: letsel dat niet helemaal zal genezen of waardoor iemand blijvend arbeidsongeschikt is geworden. Daarnaast kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd als dat letsel zo ernstig is dat dat naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel wordt gezien. Of iets zwaar lichamelijk letsel is, hangt af van de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel.
Het hof oordeelt dat de aanmerkelijke kans bestond dat aangever door het steken van verdachte zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Verdachte trok een groot keukenmes uit zijn broeksband en maakte meteen daarop met dat grote mes een stekende beweging richting de borst van aangever, die achter het stuur van zijn op dat moment net stilstaande auto zat. Aangever heeft direct gas gegeven om weg te komen. Het mes heeft de borst van aangever genaderd tot een afstand van 15 centimeter. In en om de borststreek zitten vitale delen van het lichaam. Wanneer deze geraakt worden, kan dat zwaar lichamelijk letsel opleveren. Ondanks dat heeft verdachte gehandeld zoals hij heeft gedaan. Het hof heeft in aanmerking genomen dat verdachte op een zeer agressieve wijze een groot mes in de auto heeft gestoken in de directe nabijheid van de borstkas van aangever. Op basis van hoe de gedragingen van verdachte eruitzien, stelt het hof vast dat verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging.
Feit 3
Feit 3 is wettig en overtuigend bewezen. Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen volgt dat verdachte op 19 mei 2024 een medewerker van de P.I. [plaats] heeft mishandeld door hem twee vuistslagen in het gezicht te geven. Hierdoor had de medewerker het volgende letsel opgelopen: een opgezwollen lip en jukbeen, een bebloede lip en bloed in de mond, een schram in het gezicht en last van de nek.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
feit 1
primair
hij op 11 mei 2024 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes heeft gestoken naar het lichaam van die [aangever] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 3
hij op 19 mei 2024 te [plaats] een medewerker van de Penitentiaire Inrichting te [plaats] met het [dienstnummer1] heeft mishandeld door hem meerdere vuistslagen in het gezicht te geven.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
poging tot zware mishandeling.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is van 10 februari 2025 tot 21 maart 2025 voor zes weken opgenomen en geobserveerd in het Pieter Baan Centrum (PBC). Hierover is op 14 mei 2025 een Pro Justitia rapport uitgebracht, opgesteld door [psychiater] , psychiater en [psycholoog] ,
GZ-psycholoog.
Verdachte heeft geweigerd om mee te werken aan het PBC-onderzoek. Desondanks hebben de onderzoekers zich een indruk kunnen vormen van de psychische toestand van verdachte. Dit werd mogelijk door de uitvoerige observaties van de groepsleiding in het PBC, het forensisch milieurapport met informatie over zijn eerdere delicten en detentie en de gegevens uit het eerdere PBC-onderzoek van 2020. Ook de klinische indrukken van de onderzoekers waren, hoewel beperkt, informatief.
Het PBC-rapport houdt onder andere in dat bij verdachte sprake is van een samenhangend beeld van beperkingen op meerdere gebieden: ze stellen een beperkt intellectueel vermogen, chronisch psychotische problematiek, problemen met emotie- en agressieregulatie, problematisch cannabis- en alcoholgebruik en pathologische persoonlijkheidstrekken vast. Deze stoornissen zijn chronisch van aard en waren hoogstwaarschijnlijk ook aanwezig tijdens het plegen van de tenlastegelegde feiten. Het is ondenkbaar dat zijn psychotische symptomen, gestoorde agressiehuishouding, beperkt verstandelijk functioneren en/of persoonlijkheidspathologie geen rol zou kunnen hebben gespeeld. De rapporteurs komen tot het advies om de ten laste gelegde feiten in ieder geval verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
Het hof sluit zich aan bij deze bevindingen van de gedragsdeskundigen. Bij verdachte is sprake van een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Deze waren ook aanwezig ten tijde van de bewezenverklaarde feiten en hebben de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte beïnvloed bij de bewezenverklaarde feiten. Daarom kunnen de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte worden toegerekend.
Het hof acht verdachte overigens strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.
Oplegging van straf en maatregel
Bij het bepalen van de straf en maatregel houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
De aard en de ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee geweldsdelicten. In beide gevallen is verdachte zonder enige aanleiding onverwachts en ernstig over de schreef gegaan door ineens geweld te gebruiken. Bij beide feiten heeft verdachte de slachtoffers angst aangejaagd en gezorgd voor een gevoel van onveiligheid. Dit soort feiten hebben vaak een grote en langdurige impact op de slachtoffers en op eventuele omstanders. Aangever [aangever] (feit 1) is er zonder letsel vanaf gekomen, maar dit had heel anders kunnen aflopen. In zijn aangifte beschrijft hij dat hij een tijd angstig is geweest, zich soms niet veilig voelde en dat het feit hem ook wakker heeft gehouden. Bij feit 2 is het kwalijk dat het slachtoffer een medewerker van de P.I. is. Hij deed gewoon zijn werk en heeft daarbij door toedoen van verdachte letsel aan zijn gezicht overgehouden.
De persoon van verdachte
Het hof heeft verder gelet op het strafblad van verdachte van 10 december 2025. Daaruit volgt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsfeiten. Uit zijn strafblad is een patroon van geweld af te leiden. Dit geweld was ook regelmatig gericht tegen mensen die hun werk uitoefenden. Daarnaast is verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld voor het bezit van steekwapens.
Uit het PBC-rapport van 14 mei 2025 volgt dat in zijn algemeenheid kan worden vastgesteld dat bij verdachte sprake is van een fors agressieregulatieprobleem. Agressief gedrag lijkt soms psychotisch gemotiveerd: vanuit achterdocht en gevoelens van angst en dreiging. Op andere momenten lijkt zijn beperkt verstandelijk functioneren een rol te spelen en loopt de spanning op vanuit onbegrip en gebrek aan overzicht op situaties. Ook zijn gebrekkige frustratietolerantie, moeite met grenzen en onvermogen om zijn agressie te reguleren speelt vaak een rol. En er is geregeld sprake van instrumenteel, meer intentioneel geweld, vanuit wraakzucht (vergelding) of verheerlijking van geweld.
Volgens de deskundigen is bij verdachte sprake van chronische, onbehandelde en meervoudige psychische problematiek. Behandeling, eventueel inclusief het instellen op psychofarmaca, is noodzakelijk om het risico op recidive te verkleinen. Voor een gerichte behandeling is nadere diagnostiek nodig naar de aard en ernst van de psychopathologie, evenals naar eventuele persoonlijkheidsproblematiek.
De rapporteurs van het PBC spreken van een hoog risico op herhaling. Het risico op gewelddadig gedrag in de toekomst wordt zonder behandeling van de psychische problemen als hoog ingeschat. Ook het risico dat verdachte zich na detentie opnieuw gaat bewapenen wordt als hoog ingeschat. Gelet op de forse psychopathologie in combinatie met aanwijzingen voor verheerlijking van geweld, wordt de kans op escalatie in nog ernstigere delicten ook als hoog ingeschat.
De behandeling van verdachte zal zich moeten richten op het verminderen van psychotische klachten met medicatie en structuur, het aanleren van emotieregulatie- en sociale vaardigheden, het terugdringen van middelengebruik en het bieden van intensieve begeleiding passend bij zijn verstandelijke beperking en mogelijke persoonlijkheidsproblematiek.
Verdachte toont geen ziektebesef of -inzicht, ook niet in hoger beroep. Dit zal de behandeling naar verwachting bemoeilijken. Zijn psychische toestand is op dit moment instabiel, met een hoog risico op plotseling en ernstig geweld richting anderen. Om deze redenen is plaatsing in een klinische, sterk gestructureerde forensische setting met zeer hoog beveiligingsniveau en expertise op het gebied van verstandelijke beperking noodzakelijk.
Voor het uitvoeren van de beschreven interventieadviezen achten de deskundigen tbs met dwangverpleging noodzakelijk.
De reclassering sluit zich in het rapport van 10 juni 2025 aan bij de door het PBC geadviseerde tbs met dwangverpleging. De reclassering acht toezicht, behandeling en begeleiding van verdachte binnen het kader van een tbs met voorwaarden niet haalbaar. Zij zien geen mogelijkheden om met voorwaarden de risico's te beperken of het gedrag te veranderen. Het verleden van verdachte met ernstige geweldsdelicten, de complexe problematiek, het beperkte probleeminzicht, het gewelddadige verloop van zijn detenties en zijn weigerende houding, in combinatie met de aanwijzingen voor het verheerlijken van geweld maakt dat de reclassering ernstige zorgen heeft over de risico's voor derden. Zij zijn dan ook van mening dat een tbs maatregel met voorwaarden onvoldoende veiligheid en kader biedt en sprake is van een hoog afbreukrisico.
Het hof sluit zich aan bij deze bevindingen van de gedragsdeskundigen.
Oplegging gevangenisstraf
De strafoplegging van de rechtbank ziet het hof ook als passend en noodzakelijk. Hierbij heeft het hof met name de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, de omstandigheid dat verdachte in het verleden veelvuldig onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsfeiten en het feit dat het slachtoffer van feit 3 een medewerker van de P.I. is meegewogen. Hierbij houdt het hof – net als de rechtbank – in strafverminderende zin rekening met het gegeven dat de feiten, zoals hiervoor onder ‘Strafbaarheid van verdachte’ is overwogen, in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend. In wat door de raadsvrouw is aangevoerd over de op te leggen gevangenisstraf ziet het hof geen reden om in het voordeel van verdachte af te wijken van de door de rechtbank opgelegde straf.
Gelet op al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, zal het hof net als de rechtbank een gevangenisstraf opleggen van 12 maanden, met aftrek van het ondergane voorarrest.
De tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
Oplegging Tbs-maatregel met dwangverpleging
Het hof stelt voorop dat aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van een tbs-maatregel is voldaan, in de zin dat:
sprake is van een tbs-waardig delict: de bewezen verklaarde poging tot zware mishandeling is een misdrijf waarop meer dan vier jaar gevangenisstraf is gesteld;
is vastgesteld dat bij verdachte ten tijde van dit delict sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, te weten een beperkt intellectueel vermogen, chronisch psychotische problematiek, problemen met emotie- en agressieregulatie, problematisch cannabis- en alcoholgebruik en pathologische persoonlijkheidstrekken;
de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel vereist (gevaarscriterium); en
het hof beschikt over adviezen van gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die verdachte hebben onderzocht.
Het hof schat het herhalingsgevaar en daarmee het gevaar dat verdachte vormt voor de veiligheid van anderen als hoog in. De rapporteurs van het PBC hebben aangegeven dat verdachte behandeling en begeleiding nodig heeft. De deskundigen achten tbs met dwangverpleging noodzakelijk voor de behandeling en begeleiding van verdachte om het hoge recidiverisico af te wenden. Het hof acht de conclusies van de deskundigen navolgbaar en zal deze volgen.
Anders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat de tbs-maatregel de enige maatregel is die de mogelijkheid geeft om het gevaar dat van verdachte uitgaat en het bijbehorende recidiverisico te beperken. Oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel zoals voorgesteld door de raadsvrouw volstaat niet om het recidiverisico op een verantwoorde wijze te beperken. De oplegging van de tbs-maatregel is daarvoor de enige en passende mogelijkheid.
Alles overwegende gelast het hof de terbeschikkingstelling van verdachte en beveelt het hof dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.
De totale duur van de tbs-maatregel is niet gemaximeerd nu verdachte wordt veroordeeld voor een misdrijf d dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De tbs-maatregel kan daarmee langer duren dan 4 jaar.
Oplegging van tbs bij vreemdelingen
De rechtbank overweegt in het vonnis van 5 september 2025 als volgt over het verweer van de raadsvrouw over de oplegging van tbs bij vreemdelingen:
“Oplegging van een tbs-maatregel is verenigbaar met de status van ongewenst vreemdeling. Ook bij vreemdelingen kan sprake zijn van een noodzaak tot behandeling in een tbs-kader ter beveiliging van de maatschappij. De achterliggende doelstelling bij een tbs-maatregel – om de verpleegde voor te bereiden op zijn terugkeer in de samenleving – impliceert niet noodzakelijk dat deze terugkeer zou dienen plaats te vinden in de Nederlandse samenleving. De
re-integratie kan ook gericht zijn op terugkeer in het land van herkomst, in dit geval [land] .
De rechtbank acht het van groot belang dat aan verdachte de tbs maatregel wordt opgelegd ter bescherming van de samenleving tegen het gevaar dat van verdachte uitgaat. Bovendien bestaat de mogelijkheid dat verdachte — bij een onbehandelde invrijheidstelling en repatriëring naar [land] — na enige tijd weer terugkeert naar Nederland en dus in Nederland een gevaar vormt voor de maatschappij. Verdachte woont immers sinds zijn zestiende in Nederland, zijn vader woont hier ook en verdachte spreekt de Nederlandse taal goed.
De rechtbank heeft er oog voor dat het vinden van een passende voorziening in [land] lastig kan zijn. Per geval zullen de autoriteiten moeten bepalen of de algemeen beschikbare zorg in de ontvangende staat toereikend en passend is om de stoornis(sen) te behandelen. Het vinden van passende zorg voor verdachte in [land] is echter niet uitgesloten, dat volgt ook niet uit het door de raadsvrouw aangehaalde rapport van de RSJ. Er bestaat dan ook een reële kans op repatriëring. De kans dat verdachte langer op repatriëring moet wachten dan nodig, weegt niet op tegen de noodzaak van behandeling en bescherming van de maatschappij tegen het gevaar dat van verdachte uitgaat.”
De rechtbank heeft een juiste afweging gemaakt. Het hof neemt deze overwegingen over. In aanvulling daarop overweegt het hof als volgt.
De oplegging van een tbs-maatregel aan verdachte als ongewenst verklaarde vreemdeling heeft gevolgen voor de tenuitvoerlegging van deze tbs-maatregel. Zo zal verdachte niet in aanmerking komen voor resocialisatie in de Nederlandse samenleving in de vorm van verloven.
Dit zal echter afgewogen moeten worden tegen het belang van de samenleving om beschermd te worden tegen het gevaar dat van verdachte uitgaat. ‘De samenleving’ is niet beperkt tot de grenzen van Nederland en ziet op een bredere groep personen. Het gaat bij de oplegging van een tbs-maatregel om het beschermen van de mensen om een verdachte heen waarmee verdachte in aanraking kan komen. Het gaat om bescherming van personen waar dan ook.
Uit de PBC-rapporten volgt dat – ondanks het beperkte onderzoek dat vanwege de weigering van verdachte kon worden uitgevoerd – de deskundigen concluderen dat verdachte vanwege zijn psychische problematiek zonder behandeling een gevaar is voor andere personen. Op de zitting van het hof van 8 januari 2026 is gebleken dat verdachte sinds oktober 2025 anti-psychotische medicatie krijgt via dwangmedicatie in detentie. Verdachte heeft medicatie en doeltreffende behandeling nodig om te voorkomen dat hij weer in agressief gedrag vervalt, zo blijkt uit het PBC-rapport. Verdachte heeft geen
ziekte-inzicht en stelt zich niet open voor medicatie en behandeling. Op de zitting van het hof bevestigt verdachte dat uitdrukkelijk door te verklaren dat niet echt is vastgesteld dat hij psychische problemen heeft en dat hij bijvoorbeeld in [land] geen medicatie wil en zal gebruiken.
Het voorgaande maakt dat het hof in het geval van verdachte geen andere mogelijkheid ziet om de samenleving voldoende te beschermen dan door het opleggen van de tbs-maatregel. Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw.
Beslag
Op de zitting van het hof heeft verdachte afstand gedaan van het onder hem in beslag genomen mes (goednummer 3345526). Het is daarom niet meer nodig dat het hof een beslissing neemt over dit mes.
Vordering tot tenuitvoerlegging
In de zaak met parketnummer 01-091091-21 is verdachte op door de rechtbank veroordeeld.
Aan verdachte is toen een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaar. Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke gevangenisstraf. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde.
De advocaat-generaal vordert de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 3 maanden, nu verdachte tijdens de proeftijd van deze voorwaardelijke straf nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. In principe moet deze vordering toegewezen worden, nu verdachte gewaarschuwd was en toch nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. Het hof zal deze vordering echter toch niet toewijzen. Verdachte heeft in deze strafzaak lange tijd in voorarrest gezeten. Deze periode overstijgt ruimschoots de onvoorwaardelijke gevangenisstraf die het hof op zal leggen. Daarnaast overweegt het hof dat het belangrijk is dat verdachte behandeld wordt. Een tbs-behandeling is (doorgaans) effectiever als de periode tussen het plegen van de strafbare feiten en de aanvang van de behandeling niet lang duurt. Gelet op het genoemde lange voorarrest, acht het hof het niet opportuun om verdachte eerst de voorwaardelijk opgelegde straf te laten ondergaan, voordat de tbs-behandeling begint.
Het hof wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 37a, 37b, 45, 57, 63, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.