ECLI:NL:GHARL:2026:4769
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Uitspraak
- 16 juli 2026
- Zaaknummer
- P25/371
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Hoger beroep
Inhoudsindicatie
TBS. Vernietiging beslissing rechtbank. Het hof komt, in afwijking van de bijzondere kamer van het hof in het kader van de WETS-procedure en de rechtbank, tot een ander oordeel over de (on-)gemaximeerdheid van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Het indexdelict (belaging) is in dit geval geen geweldsmisdrijf als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht. De terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege is daarom in duur gemaximeerd tot vier jaar. Het hof verlengt de terbeschikkingstelling met twee jaar.
Uitspraak
Overwegingen
Het standpunt van de terbeschikkinggestelde
(On)gemaximeerde terbeschikkingstelling
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een geweldmisdrijf, zodat de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege is gemaximeerd tot vier jaar.
Verlenging van de terbeschikkingstelling
De raadsman heeft primair verzocht de terbeschikkingstelling te verlengen met een termijn van één jaar, aangezien de bijzondere kamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het oordeel van 8 mei 2024 heeft overwogen dat de maatregel van terbeschikkingstelling op het moment van de overdracht van de tenuitvoerlegging aan Nederland een verlengingstermijn heeft van één jaar. Hieruit volgt dat in deze zaak ook na het verstrijken van het eerste jaar, verlenging met maximaal één jaar in de rede ligt. Subsidiair erkent de raadsman dat bij een verlenging met één jaar de expiratiedatum spoedig in beeld is en de volgende verlengingsvordering al op korte termijn moet worden behandeld, terwijl er dan nog onvoldoende stappen in het traject zouden zijn gezet. Er is dan geen bezwaar tegen een verlenging met een termijn van twee jaar.
Het standpunt van het openbaar ministerie
(On)gemaximeerde terbeschikkingstelling
De advocaat-generaal heeft zich, na de ontvangst van de stukken uit het Belgisch strafdossier, eveneens op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een geweldmisdrijf, zodat de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege is gemaximeerd tot vier jaar.
Verlenging van de terbeschikkingstelling
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de verlenging van de maatregel voor twee jaar. Hoewel de motivering van de bijzondere kamer van het hof wellicht ruimte laat voor een andere interpretatie, moet het ervoor worden gehouden dat bedoeld is dat de eerste termijn van de terbeschikkingstelling één jaar bedraagt, maar dat verlenging van deze termijn niet beperkt is tot één jaar. Er is sprake van een stoornis en het recidiverisico wordt bij een beëindiging van de terbeschikkingstelling ingeschat als hoog. De terbeschikkinggestelde staat nog aan het begin van zijn behandeltraject. Een verlenging met twee jaar is dan ook aangewezen.
Het oordeel van het hof
Vernietiging
Het hof zal de beslissing van de rechtbank vernietigen. Weliswaar komt het hof tot een eensluidend oordeel als het gaat om de verlengingstermijn van de terbeschikkingstelling, maar het hof komt wel tot een ander oordeel over de (on-)gemaximeerdheid van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.
(On)gemaximeerde terbeschikkingstelling en het indexdelict
De rechtbank heeft haar beslissing dat er sprake is van een ongemaximeerde maatregel gebaseerd op het oordeel van het hof als bedoeld in artikel 2:11 lid 2 Wet wederzijde erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (Wets) van 8 mei 2024.
In de tussenbeslissing van 26 maart 2026 heeft het hof gemotiveerd aangegeven waarom het aan de verlengingsrechter, en niet aan de bijzondere kamer van het hof als bedoeld in artikel 2:11 lid 2 Wets, is om een oordeel te geven over de aard van het indexdelict en de (on-) gemaximeerdheid van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Het hof overwoog in het bijzonder:
“De terbeschikkinggestelde is op 30 augustus 2023 bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen veroordeeld voor belaging van een persoon, terwijl hij wist of had moeten weten dat hij door zijn gedrag de rust van die bewuste persoon ernstig zou verstoren. De terbeschikkinggestelde heeft een interneringsmaatregel opgelegd gekregen.
De minister van Justitie en Veiligheid heeft beslist tot erkenning van bovenvermeld arrest met inachtneming van het oordeel van de bijzondere kamer van dit hof. Het oordeel van de bijzondere kamer van dit hof van 8 mei 2024 houdt onder meer in dat de aan de terbeschikkinggestelde opgelegde vrijheidsbenemende maatregel van internering voor onbepaalde tijd aangepast dient te worden tot de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. De bijzondere kamer van het hof heeft vastgesteld dat in de uitspraak en de motivering van de oplegging van de interneringsmaatregel besloten ligt dat de maatregel, naar Nederlands recht, is opgelegd voor een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen (hierna kortgezegd: een geweldsmisdrijf) en dat de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege daarom niet in duur is gemaximeerd tot vier jaar.
De in de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en
voorwaardelijke sancties (hierna: WETS) procedure is summier en bevat geen voorschriften inzake hoor en wederhoor. In de praktijk kan de bijzondere kamer in voorkomend geval kennis nemen van het schriftelijk standpunt van de (raadsman van de) veroordeelde en dat standpunt bij zijn oordeel betrekken.
In het kader van de beoordeling van het thans aanhangige hoger beroep is het hof niet gebleken dat het oordeel van de bijzondere kamer tot stand is gekomen nadat kennis is genomen van een standpunt van of namens de veroordeelde. Het oordeel inzake de maximering van de maatregel is, voor zover dit uit de thans beschikbare stukken naar voren komt, daarmee gegeven zonder hoor en/of wederhoor. Dit betekent dat in dat opzicht niet is voldaan aan de uitgangspunten voor een eerlijk proces. Zeker in het licht van het gewicht van de maximeringsbeslissing is dat niet aanvaardbaar en is (de mogelijkheid van) herbeoordeling aan de orde.
In het kader van het onderhavige beroep tegen de verlenging van de terbeschikkingstelling is de vraag aan de orde geweest en van de kant van de raadsman en de advocaat-generaal belicht of het indexdelict is gemaximeerd. Daarmee is er hoor en wederhoor geweest in een rechterlijke procedure en is het aan het hof als verlengingsrechter in beroep om een oordeel te geven over de gemaximeerdheid van het indexdelict.”
Het hof heeft in de tussenbeslissing van 26 maart 2026 uitvoerige overwegingen gewijd aan de vraag of er sprake is van een geweldsdelict in de zin van artikel 38e lid 1 van het Wetboek van Strafrecht en is tot de conclusie gekomen dat uit de op dat moment beschikbare stukken niet eenduidig worden afgeleid dat er sprake is van een geweldsdelict. Daarop heeft het hof de advocaat-generaal verzocht het onderliggende Belgische strafdossier aan de stukken toe te voegen.
Uit de na de tussenbeslissing overgelegde stukken uit het Belgisch strafdossier, in samenhang met de stukken die al deel uitmaakten van het dossier en hetgeen de terbeschikkinggestelde ter zitting van het hof heeft verklaard – over welke stukken en verklaring de verdediging en het Openbaar Ministerie zich hebben kunnen uitlaten –, leidt het hof af dat het indexdelict (belaging) in dit geval geen delict als bedoeld in artikel 38e lid 1 van het Wetboek van Strafrecht oplevert.
Uit de beschikbare stukken blijkt dat de terbeschikkinggestelde het slachtoffer gedurende anderhalf jaar via verschillende sociale media heeft belaagd en veelvuldig gebeld. Hoewel dergelijk handelen ernstig inbreuk kan maken op de persoonlijke levenssfeer en gevoelens van angst en onveiligheid kan veroorzaken, brengt dit niet zonder meer mee dat sprake is van een geweldsdelict. De stukken bevatten geen aanwijzingen dat er sprake is geweest van fysiek geweld, een poging daartoe of gedragingen die naar hun aard kunnen worden aangemerkt als een geweldsdelict in de zin van artikel 38e lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. Er zijn geen feiten en omstandigheden waaruit volgt dat het indexdelict was gericht tegen of gevaar veroorzaakte voor de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het hof is daarom van oordeel dat de maatregel van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege in duur gemaximeerd is tot vier jaar.
Het hof realiseert zich dat dit een andere beslissing is dan volgt uit het oordeel van de bijzondere kamer van dit hof in het kader van de WETS-procedure. In de tussenbeslissing van 26 maart 2026 heeft het hof gemotiveerd dat in deze specifieke omstandigheden van het geval het aan het hof als verlengingsrechter in beroep is om een oordeel te geven over de gemaximeerdheid van het indexdelict.
Stoornis en recidivegevaar
Uit de rapportages van de psychiater, de psycholoog en de kliniek van respectievelijk 19 mei 2025, 25 mei 2025 en 5 juni 2025 blijkt dat er bij de terbeschikkinggestelde sprake is van schizofrenie en van een uitgebreid waansysteem met paranoïde betrekkingswanen. Nader diagnostisch onderzoek zou volgens de psychiater en psycholoog moeten uitwijzen of er ook sprake is van een autismespectrumstoornis.
De rapporteurs schatten het recidiverisico in als hoog. De terbeschikkinggestelde is psychotisch, heeft nog altijd wanen omtrent het slachtoffer en zijn realiteitstoetsing is verstoord. Wanneer het kader van de terbeschikkingstelling zou wegvallen, zal hij - naar verwachting - direct terugvallen in stalkingsgedrag jegens het slachtoffer. Alleen binnen het kader van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege is de behandeling van de terbeschikkinggestelde goed vorm te geven. Nader onderzoek naar de diagnostiek is eveneens noodzakelijk zodra de psychotische symptomatologie meer naar de achtergrond is verdwenen. Binnen de maatregel is monitoring van het toestandsbeeld en zijn gedrag mogelijk, naast dat er medicamenteus goed behandeld kan worden. Daarmee wordt het recidiverisico binnen de maatregel als laag ingeschat.
Verlenging
Gelet op de adviezen van de kliniek, de psychiater en de psycholoog, is het hof van oordeel dat bij de terbeschikkinggestelde sprake is van een stoornis en dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen en goederen verlenging van de terbeschikkingstelling eist.
Duur van de verlenging
In het oordeel van de bijzondere kamer van dit hof van 8 mei 2024 is onder meer het volgende overwogen:
“de aan de veroordeelde opgelegde vrijheidsbenemende maatregel dient te worden aangepast tot de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, met een termijn van verenging van één jaar”.
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of hieruit volgt dat de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege na afloop van de aanvangstermijn van één jaar derhalve telkens maar met één jaar mag worden verlengd. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend. De overweging in het oordeel van de bijzondere kamer ziet uitsluitend op de duur van de eerste termijn waarbinnen de maatregel in Nederland ten uitvoer wordt gelegd. Daaruit volgt niet dat de terbeschikkingstelling vervolgens uitsluitend telkens met één jaar kan worden verlengd. Op grond van artikel 38d Wetboek van Strafrecht beslist de rechter bij iedere verlengingsbeslissing tot verlenging van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege met een jaar of twee jaren. De rechter kan derhalve, indien de veiligheid van personen dan wel goederen dat eist, na afloop van de aanvangstermijn beslissen tot verlenging van de terbeschikkingstelling met twee jaar.
Het hof heeft als uitgangspunt dat de terbeschikkingstelling verlengd dient te worden met een termijn van twee jaren wanneer aannemelijk is geworden dat de behandeling en resocialisatie van de terbeschikkinggestelde in het bestaande juridische kader meer tijd in beslag zal nemen dan de tijd die resteert bij een verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van één jaar. Het hof ziet in dit geval, gelet op de adviezen van de kliniek, psychiater en psycholoog, geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. De terbeschikkinggestelde staat nog aan de start van zijn behandeling. Er moeten nog onderzoeken plaatsvinden en de terbeschikkinggestelde moet nog nader worden ingesteld op antipsychotica. De risicofactoren zijn nog niet, of onvoldoende bewerkt en er heeft nog geen (duurzame) verandering in de kernproblematiek plaatsgevonden.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.