ECLI:NL:GHARL:2026:5273
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Uitspraak
- 12 augustus 2026
- Zaaknummer
- 21-005146-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht; Strafprocesrecht
- Procedure
- Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Verboden vuurwapenbezit, harddrugs- en softdrugsbezit, een hennepkwekerij en diefstal van elektriciteit. Het hof is van oordeel dat de rechtbank met betrekking tot de bewijsbeslissing, de strafbaarheid van de feiten en van de verdachte en met betrekking tot de strafmaat op goede gronden heeft geoordeeld en op de juiste wijze heeft beslist. Daarom zal het hof de beslissing waarvan beroep bevestigen. Wel heeft het hof de kwalificatie van feit 1 verbeterd en de gronden voor de op te leggen straf aangevuld.
Uitspraak
Aanvulling van gronden voor de op te leggen straf
De rechtbank heeft in haar vonnis met betrekking tot de op te leggen straf het volgende overwogen:
“Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 29 oktober 2025, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft twee half-geladen vuurwapens en meerdere soorten munitie voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van wapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en leidt tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Dat vuurwapens een gevaar vormen voor de samenleving blijkt wel uit het feit dat er regelmatig vuurwapenincidenten plaatsvinden.
Tevens is in de schuur in de woning van verdachte een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. Door hennep te telen heeft verdachte bijgedragen aan het in stand houden van de illegale handel in en verspreiding van softdrugs. Daarmee is verdachte voorbijgegaan aan het gegeven dat softdrugs, zoals hennep, stoffen zijn die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade aan de gezondheid en dat hennepteelt veelal gepaard gaat met andere criminaliteit. Naast softdrugs heeft verdachte harddrugs, te weten bijna een kilogram MDMA aanwezig gehad. Ten slotte, heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de diefstal van elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerij. Door het illegaal aftappen van elektriciteit wordt niet alleen de energiemaatschappij financieel benadeeld, maar dit leidt ook vaak tot gevaarlijke situaties, zoals kortsluiting en brand.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het reclasseringsadvies ten behoeve van de inhoudelijke behandeling. Uit voornoemd advies blijkt dat vermoedelijk een financieel motief, middelengebruik, een hang naar sensatie en een procriminele houding aan de ten laste gelegde feiten ten grondslag liggen. Verdachte zou dermate zijn geschrokken van zijn aanhouding dat de inschatting van de reclassering is dat hij zich niet nogmaals schuldig zal maken aan het opzetten van een hennepkwekerij. In het gesprek met de reclassering zou verdachte hebben aangegeven dat hij gestopt is met het gebruik van cannabis, hetgeen als een mogelijk beschermende factor wordt gezien. De kans op recidive wordt ingeschat als laag en de reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden. Interventies en toezicht zijn niet nodig omdat er geen hulpvraag aanwezig is, verdachte geen middelen meer gebruikt en hij onder de indruk lijkt te zijn van de gevolgen van zijn delictgedrag.
De straf
Gelet op de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS en de ernst van de feiten - waarbij met name zwaar wordt gewogen aan het aantreffen van twee vuurwapens - kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met het opleggen van een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Een taakstraf gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de raadsman is bepleit, doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de ernst van het handelen van verdachte.
De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte wel redenen om een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist. Daartoe wordt overwogen dat uit het dossier en hetgeen is besproken ter terechtzitting blijkt dat verdachte geen doorgewinterde crimineel is, maar dat hij meer toevalligerwijs in deze situatie is gerold. Bovendien houdt de rechtbank rekening met de reumatische klachten van verdachte en de invloed daarvan op zijn leven.
De rechtbank komt, alles afwegende, tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk - met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht - en daaraan gekoppeld een proeftijd van drie jaren.”
Het hof verenigt zich met bovenstaande overwegingen van de rechtbank en maakt die tot de zijne.
Ter zitting in hoger beroep is door en namens verdachte bepleit om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen, maar te kiezen voor een andere strafmodaliteit, bijvoorbeeld een forse voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf. Daartoe is gewezen op de huidige persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Hij werkt als zzp’er en heeft een samenwerkingscontract aan het hof overgelegd, waaruit blijkt dat hij recentelijk als onderaannemer is aangenomen om kunststofkozijnen te monteren. Door deze fysiek zware werkzaamheden stelt verdachte minder last te hebben van reumatische klachten. Hij vreest dat de klachten verergeren als hij vanwege detentie dit werk niet meer kan doen. Verder zijn stukken overgelegd waaruit blijkt dat verdachte de lasten van een hypotheek draagt, dat hij een woonruimte verhuurt aan zijn ex-partner en dat hij de zorg draagt voor de kleindochter van zijn ex-partner, die eveneens bij hem inwoont. Deze omstandigheden maken dat verdachte thuis beschikbaar moet zijn, aldus de verdediging.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank bij het bepalen van de op te leggen straf op juiste wijze een afweging heeft gemaakt tussen de aard en de ernst van de feiten enerzijds en de persoonlijke omstandigheden van verdachte anderzijds. De persoonlijke omstandigheden die in hoger beroep aanvullend naar voren zijn gebracht door de verdediging, geven het hof geen aanleiding om een andere straf op te leggen dan wel voor een andere strafmodaliteit te kiezen.
Gelet op de aard en ernst van de feiten kan niet worden volstaan dan met een andere dan een gedeeltelijk onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek doet daaraan op passende wijze recht. Gelet op de neiging naar sensatie en de procriminele houding van verdachte, zoals die in het reclasseringsadvies zijn beschreven, onderschrijft het hof ook het oordeel van de rechtbank dat verdachte een stok achter de deur nodig heeft om hem ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Daarom verenigt het hof zich ook met het door de rechtbank voorwaardelijk opgelegde gedeelte van de gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 3 jaren.
Concluderend zal hof het vonnis van de rechtbank bevestigen, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.