ECLI:NL:GHSHE:2025:1095
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Uitspraak
- 17 april 2025
- Zaaknummer
- 20-000018-23
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Doodslag, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.
Uitspraak
4 Zo ja, kunt u dan gemotiveerd aangeven:a. op welke manier dat gebeurde,b. of dit leidt tot het advies om het ten laste gelegde in een verminderde mate dan wel in het geheel niet toe te rekenen, en,c. indien geadviseerd wordt om in een verminderde mate toe te rekenen, preciseer dit gedragskundig.Ten aanzien van het eerste ten laste gelegde feit, moord dan wel doodslag (indien bewezen), zijn zowel de persoonlijkheidsstoornis (met in de basis daarvan beperkingen in de informatieverwerking en het sociaal functioneren) als de stoornis in middelen van invloed geweest. De persoonlijkheidsstoornis en de stoornis in middelengebruik werkten tezamen door in het gedrag, en kunnen niet los van elkaar gezien worden. De al aanwezige beperkingen in zijn oordeelsvermogen en coping werden uitvergroot doordat betrokkene op dat moment onder invloed was van middelen. Er is een duidelijke doorwerking in de handelingen van betrokkene in de aanloop naar het ten laste gelegde, waarbij er sprake is geweest van een inperking van zijn keuzevrijheid als gevolg van de vastgestelde stoornissen. Enkel de verslaving hield hem op dat moment op de been, maar beperkte zijn mogelijkheid om te beschikken tot zijn vrije keuzevrijheid nog verder. Het advies van de onderzoekers is om, indien het ten laste gelegde bewezen kan worden geacht, dit in verminderde mate aan betrokkene toe te rekenen.Ten aanzien van het tweede feit, het vuurwapenbezit, komen onderzoekers tot een ander advies. In de periode dat betrokkene het wapen aanschafte was hij nog niet in zo een slechte toestand als hierboven beschreven. De eerder beschreven stoornissen waren wel aanwezig op dat moment, maar er was geen sprake van een inperking van de wilsvrijheid ten aanzien van dit feit. Indien dit feit bewezen wordt geacht, dan adviseren de onderzoekers om dit volledig aan betrokkene toe te rekenen.
Dit advies is anders dan het advies van onderzoekers in 2022. Destijds werd het
vuurwapenbezit meer beschouwd als samenhangend met vooral zijn achterdocht, terwijl ondergetekenden het vuurwapenbezit als uiting van zijn antisociale persoonlijkheidsstoornis zien, zonder dat daardoor zijn wilsvrijheid werd ingeperkt.
5. a. Welke verwachting heeft u, gelet op de hiervoor beschreven stoornis, ten aanzien van het risico op recidive?
b. Welke beschermende functies in de persoonlijkheid of functioneren dienen hierbij in overweging te worden genomen?
c. Welke contextuele, situatieve of andere condities dienen hierbij in overweging te worden genomen?
d. Is er iets te zeggen over eventuele onderlinge beïnvloeding van deze factoren en condities?
Wanneer betrokkene zonder zorg detentie zal verlaten komt de risicotaxatie uit op een hoog risico, en binnen detentie op een matig risico.
Wanneer gekeken wordt naar de beschermende factoren dan zijn deze maar in zeer beperkte mate aanwezig in het leven van betrokkene. Ten aanzien van de externe beschermende factoren geldt dat deze buiten detentie niet aanwezig zijn. Binnen detentie is er sprake van hulpverlening, woonruimte en toezicht, wat beschermend is.
De beschermende factoren zijn niet in die mate aanwezig dat zij het recidiverisico verlagen. Het risico op herhaling van geweld, indien betrokkene zonder zorg detentie zou verlaten, wordt nog altijd ingeschat als hoog. Binnen detentie zijn er meer beschermende factoren aanwezig, wat maakt dat het risico daar als laag tot matig kan worden ingeschat.
Het klinische oordeel komt overeen met de inschatting op basis van de risicotaxatie instrumenten.
6. a. Welke aanbevelingen van gedragsdeskundige en van andere aard zijn te doen voor interventies die het eventuele recidivegevaar kunnen beperken?
b. Binnen welk(e) juridisch(e) kader(s) zouden deze gerealiseerd kunnen worden?
Het advies is om betrokkene op te nemen in een beveiligde klinische behandelsetting om het recidiverisico te beperken en hem te behandelen voor de stoornissen. De focus van de behandeling zal deze keer meer moeten uitgaan naar het zoeken naar een passend en effectief extern risicomanagement. Tevens is controle op middelengebruik met als doel een volledige abstinentie van alcohol en drugs het advies.
Aangezien de tekorten op neurobiologisch vlak nu zo duidelijk naar voren komen tijdens het onderzoek, wordt geadviseerd middels procesdiagnostiek (het observeren over de tijd) vast te stellen of de kenmerken die doen denken aan een ontwikkelingsstoornis, voortdurend aanwezig zijn in het gedrag van betrokkene en doorspelen in alle aspecten van zijn functioneren. Mogelijk moeten de diagnostische conclusies daarop worden aangepast. Hoe dan ook is het van belang tijdens de behandeling rekening te houden met de genoemde beperkingen. Ook dient tijdens de behandeling het medicatiegebruik opnieuw geëvalueerd te worden. Het gebruik van een SSRI (medicatie tegen angst en depressie) of antipsychotisch medicijn kan opnieuw overwogen worden, waarbij geobserveerd kan worden of dit het functioneren van betrokkene positief kan beïnvloeden. Ook op dit aspect is echter controle en toezicht van groot belang, gezien het feit dat betrokkene zeer verslavingsgevoelig is en ook medicatie als verdovende middelen is gaan gebruiken.
De kern van de behandeling zal echter zijn, en zo is dit ook aan betrokkene zelf teruggegeven, dat betrokkene zich moet bevinden in een omgeving die een sterke positieve invloed op hem heeft, aangezien hij door zijn gebrek aan identiteit en neiging tot antisociaal gedrag, anders weer de criminaliteit in zal gaan, waar hij door spanningen en angsten de controle over zijn gedrag verliest en het recidiverisico zal toenemen.
Voorts is het advies van onderzoekers om betrokkene traumabehandeling te geven gericht op afname van de PTSS-klachten. Er wordt geen verband aangetoond tussen de PTSS klachten en het delict, omdat deze toen nog niet aanwezig waren, en behandeling wordt dan ook niet geadviseerd in het kader van de recidiveverlaging, echter voor het algeheel functioneren van betrokkene zou het gunstig zijn als deze klachten zouden afnemen.
Anders dan het onderzoek in 2022 wordt er geen contra-indicatie gezien voor een langere duur van de klinische fase. Indien nodig voor een zorgvuldige diagnostiek ten aanzien van de diagnose en het risicomanagement en het uitzoeken van het effect van medicatie kan de klinische fase zeker enkele jaren in beslag nemen.
De bovenbeschreven behandeling kan, naar oordeel van onderzoekers, enkel uitgevoerd worden binnen het kader van een tbs met bevel tot verpleging. Betrokkene heeft eerder laten zien dat hij in staat is een dubbelleven te leiden onder de ogen van de reclassering. Hij had met de reclassering ogenschijnlijk een goede band, maar uit angst voor de consequenties besprak hij vrijwel niets van alles wat er speelde in zijn leven.
Al tijdens de transmurale fase van zijn vorige Tbs-behandeling gebruikte hij drugs en voerde hij criminele activiteiten uit. Hij is in staat te liegen en bedriegen, zonder dat dit van hem af te lezen is door getrainde professionals. Hij heeft een vlakke uitstraling waardoor het niet aan hem te zien is of hij angstig of gespannen is. Enkel een strakke controle en ingrijpen bij overtreding van de regels kan naar oordeel van onderzoekers het recidive risico beperken. Een kliniek met een hoog beveiligingsniveau (niveau 3), zoals in een FPK, lijkt hiervoor aangewezen.
Het hof verenigt zich met de hiervoor weergegeven conclusies en adviezen van de deskundigen, maakt deze tot de zijne en legt deze ten grondslag aan zijn beslissing.
Tevens heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. De verdachte heeft ten overstaan van het hof verklaard dat hij bezig is met het behalen van zijn havo-diploma en dat hij sinds enkele jaren een nieuwe relatie heeft.
Op te leggen gevangenisstraf
Het hof is van oordeel dat, in verband met een juiste normhandhaving en met het oog op vergelding en generale preventie, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Bij de bepaling van de duur van de op te leggen gevangenisstraf heeft het hof rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Op grond van de recidiveregeling van artikel 43a van het Wetboek van Strafrecht bedraagt de maximale gevangenisstraf voor de in deze zaak bewezenverklaarde doodslag, gelet op artikel 287 (oud) Wetboek van Strafrecht en de hiervoor genoemde eerdere veroordeling van de verdachte, 20 jaren.
In deze zaak is daarnaast ook nog verboden wapenbezit bewezenverklaard. De verdachte heeft een gas-/alarmpistool met bijbehorende munitie voorhanden gehad en heeft daarmee [slachtoffer 4] om het leven gebracht. De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) gaan voor het voorhanden hebben van een pistool in de openbare ruimte als vertrekpunt uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.
Hoewel het hof in het feit dat de verdachte, volgens de conclusies van de deskundigen, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden geacht voor de bewezenverklaarde doodslag, aanleiding ziet om de op te leggen gevangenisstraf enigszins te matigen, acht het hof de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek van voorarrest niet passend. Deze strafafdoening doet onvoldoende recht aan de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de ernst van de gevolgen hiervan voor de slachtoffers.
Al het vorenstaande afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren met aftrek van voorarrest, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd, passend en geboden.
Redelijke termijn
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak als volgt.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn bij de behandeling in eerste aanleg niet is overschreden.
De aanvang van de termijn in hoger beroep stelt het hof vast op de datum waarop namens de verdachte hoger beroep is ingesteld, te weten 2 januari 2023. Het einde van de termijn stelt het hof op 17 april 2025, de datum waarop het hof arrest zal wijzen. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep, die voor deze fase, nu sprake is van een gedetineerde verdachte, op 16 maanden wordt gesteld, overschreden met 11 maanden en 15 dagen. Het hof acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig die deze overschrijding rechtvaardigen.
Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof een kortere gevangenisstraf zal opleggen.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren met aftrek van voorarrest.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 52.513,50, bestaande uit € 5.013,50 aan materiële schade en € 47.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 13,50 aan materiële schade en een bedrag van € 47.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van het meergevorderde aan materiële schade is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
De benadeelde partij heeft schriftelijk te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat van de benadeelde partij te kennen gegeven dat de post ‘toekomstige schade’ in hoger beroep wordt verminderd tot een bedrag van € 264,00.
De vordering in hoger beroep luidt derhalve als volgt.
1. Reiskosten bezoeken psycholoog: € 13,50.2. Toekomstige schade: reiskosten specialistisch GGZ-traject: € 264,00.Totale materiële schade: € 277,50.
3. Shockschade: € 30.000,00
4. Affectieschade: € 17.500,00
Totale immateriële schade: € 47.500,00. Totale gevorderde schadevergoeding: € 47.777,50. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij integraal zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met veroordeling van de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
De verdediging heeft de gevorderde materiële schade en de gevorderde immateriële schade ter terechtzitting in hoger beroep niet (langer) (inhoudelijk) betwist.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van het onder feit 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte (doodslag) rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 277,50 aan materiële schade en een bedrag van € 47.500,00 aan immateriële schade.
Het hiervoor overwogene leidt ertoe dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] geheel toewijsbaar is, met vermeerdering met de wettelijke rente, voor de materiële schade met ingang van 16 november 2022 (de datum van ondertekening van het verzoek tot schadevergoeding) en voor de immateriële schade met ingang van 14 november 2021 (de datum van het overlijden van het slachtoffer) tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij, ten tijde van het wijzen van dit arrest begroot op nihil. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel t.b.v. [slachtoffer 1]
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het onder feit 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 1] is toegebracht tot een bedrag van € 47.777,50. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, voor de materiële schade met ingang van 16 november 2022 (de datum van ondertekening van het verzoek tot schadevergoeding) en voor de immateriële schade met ingang van 14 november 2021 (de datum van het overlijden van het slachtoffer) tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 26.727,85, bestaande uit € 1.727,85 aan materiële schade en € 25.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in de volgende schadeposten:
1. Kosten uitvaart: € 621,35.2. Kosten koffietafel: € 747,50.3. Kosten bloemenpreparatie: € 359,00. Totale materiële schade: € 1.727,85.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.