ECLI:NL:GHSHE:2026:1393
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Uitspraak
- 9 april 2026
- Zaaknummer
- 20-001153-20
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Hoger beroep, Op tegenspraak
Inhoudsindicatie
Medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen zich en een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het feit te verschaffen, en voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij en zijn mededader wisten dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Uitspraak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1973,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde. De rechtbank heeft het onder 1 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen zich en een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het feit te verschaffen, en voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij en zijn mededader wisten dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit’ en de verdachte daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 183 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest, in combinatie met een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het van de zijde van de verdachte ingestelde hoger beroep is blijkens de akte instellen hoger beroep d.d. 9 juni 2020 onbeperkt ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank en richt zich aldus mede tegen de vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde. Aangezien een verdachte gelet op het bepaalde in artikel 404 van het Wetboek van Strafvordering geen hoger beroep kan instellen tegen een vrijspraak, zal de verdachte in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.
Al hetgeen hierna wordt overwogen heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank – met aanvulling van gronden – zal bevestigen, met uitzondering van de door de rechtbank opgelegde sancties. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van voorarrest.
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich – met verbetering en aanvulling van gronden – met het beroepen vonnis, voor zover dat aan zijn oordeel is onderworpen, en zal het vonnis dan ook bevestigen, behalve voor wat betreft de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf en taakstraf. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Verbetering van gronden
De bewijsmiddelen die door de rechtbank in de bewijsbijlage bij het vonnis zijn opgenomen, behoeven op een aantal punten verbetering. Ten behoeve van de leesbaarheid zullen de door de rechtbank uitgewerkte bewijsmiddelen worden geschrapt en worden deze vervangen door de hierna in de bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen.
Aanvulling van gronden
In aanvulling op de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen komt de bewezenverklaring mede op de volgende bewijsmiddelen te berusten.
Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de getuige [medeverdachte 1] door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 14 november 2023, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige:
U vraagt mij of ik iets kan vertellen over de stand van zaken in mijn eigen strafzaak. Ik ben
veroordeeld, omdat de Nederlanders chemicaliën hadden ingekocht.
U vraagt mij of ik in het kort kan vertellen welke producten ik produceerde dan wel
verhandelde in de periode april, mei 2018. We produceren rond de 300 producten. Vloeibaar
wasmiddel, waspoeder, zoutzuur en aceton.
U vraagt mij of ik het adres [adres 2] me iets zegt. Als ik het me goed
herinner dan was dat ook een garagebox op een groot terrein.
U vraagt mij of ik me kan herinneren of ik in de periode van april tot en met mei met een
bestelwagen naar Nederland ben gereden. Ik weet niet of het deze periode was. Maar als ik
ga, dan ga ik met een bestelbusje. Want in een kofferbak past het niet.
U vraagt mij of ik ooit naar Nederland ben gereden en geen spullen heb afgeleverd, maar dat
ik ze mee terug naar Duitsland heb genomen. Nee.
Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de getuige [medeverdachte 2] door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 14 november 2023, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige:
U vraagt mij waarvoor ik veroordeeld ben. Ik ben veroordeeld voor het smokkelen van
chemicaliën. Ik heb twee keer gereden.
U vraagt mij of ik zelf als bestuurder heb opgetreden, toen ik zojuist verklaarde dat ik twee
keer had gereden. We zijn met twee voertuigen gegaan. Ik ben in beide gevallen bestuurder
geweest.
U vraagt mij wie de andere bestuurder van het andere voertuig was. De heer [medeverdachte 1] .
U vraagt mij of ik beide keren vanuit Duitsland vertrokken ben. Ja, beide keren.
U vraagt mij of ik beide keren in Nederland terecht ben gekomen. Ja.
U vraagt mij of ik wist welke producten ik vervoerde. Ik wist wel dat er chemicaliën in zaten.
U vraagt mij of ik beide keren naar hetzelfde adres ben gereden. Ja.
U vraagt mij of ik me dat adres kan herinneren. Nee, ik ben enkel achter mijn collega
aangereden.
U vraagt mij of ik me nog kan herinneren wat voor merk die bestelauto had. Volgens mij
een Volkswagen Transporter.
U vraagt mij welk merk de auto van de heer [medeverdachte 1] had. Ik denk ook een Volkswagen
Transporter, maar dat weet ik niet zeker.
U vraagt mij of ik veroordeeld ben voor de twee data die ook in het vonnis staan. Ja, dat is
juist.
De getuige is veroordeeld voor medeplichtigheid. De twee feiten vonden plaats op 10 april
2018 en 18 april 2018. Art. 3 GÜG.
De Duitse rechter houdt uit het Duitse vonnis voor dat het zou gaan om afleveringen op de
locatie [adres 2] .
U vraagt mij of ik me kan herinneren of ik twee keer op hetzelfde adres in Nederland ben
geëindigd. Ik ben alleen maar achter mijn collega aangereden, maar volgens mij wel.
U vraagt mij of beide bestelbussen in beide gevallen bij hetzelfde adres aangekomen zijn.
Ja.
U vraagt mij of de spullen die in de bestelbussen zaten beide keren in Nederland zijn gelost.
Mijn auto is gelost, natuurlijk.
U vraagt mij of ook de auto van de heer [medeverdachte 1] was gelost. Ja.
U vraagt mij hoe ik wist dat ik chemicaliën aan het vervoeren was. Dat is me verteld door
verdachte [medeverdachte 1] .
U vraagt mij hoe de producten in de auto eruit zagen. De producten zaten in jerrycans.
U vraagt mij of ik iets mee terug heb genomen uit Nederland. Nee.
Een vertaling van een vonnis van het Kantongerecht Velbert, 8 april 2022, voor zover inhoudende :
Vonnis
In de strafzaak tegen
1. De heer [medeverdachte 1] ,
geboren op [geboortedag 2] 1975 in [geboorteplaats 2] , Duitsland,
Duitse staatsburger, gescheiden,
wonende in [adres 3] ,
2. De heer [medeverdachte 2] ,
geboren op [geboortedag 3] 1982 in [geboorteplaats 3] , Duitsland, isoleerder,
Duitse staatsburger, ongehuwd,
wonende in [adres 4] ,
wegens de handel in precursoren in strijd met § 3 GÜG e.a.
heeft het kantongerecht van Velbert
op basis van de openbare rechtszitting van 18-03-2022
rechterlijk besloten:
De verdachte [medeverdachte 1] wordt wegens de opzettelijke commerciële handel in precursoren in strijd met § 3 GÜG in vijf gevallen veroordeeld tot een gecombineerde gevangenisstraf van één jaar en elf maanden met verplichte betaling van de onkosten.
De tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf wordt voorwaardelijk opgelegd.
Ten aanzien van de verdachte [medeverdachte 1] wordt de verbeurdverklaring van € 16.000 als schadevergoeding bevolen.
De verdachte [medeverdachte 2] wordt wegens de medeplichtigheid aan de handel in precursoren in strijd met § 3 GÜG in twee gevallen veroordeeld tot een gecombineerde geldboete van 90 dagtarieven van ieder € 50 met verplichte betaling van de onkosten.
Ten aanzien van de verdachte [medeverdachte 2] wordt de verbeurdverklaring van een schadevergoeding ten bedrage van € 600 bevolen.
Redenen:
Verdachte [medeverdachte 1] heeft uiterlijk in maart 2018 besloten om een doorlopende inkomstenbron van enige omvang te verwerven door met winstoogmerk aceton te kopen en te verkopen aan Nederlandse afnemers, waarbij de aceton - zoals verdachte wist en beoogde - zou worden gebruikt bij de vervaardiging van drugs, te weten ecstasypillen met de werkzame stof MDMA. Verder wist de verdachte dat aceton een precursor was in de zin van de Duitse Wet op het toezicht van precursoren.
Als gevolg van zijn beslissing heeft de verdachte [medeverdachte 1] vervolgens als vermeend werknemer van het feitelijk inactieve bedrijf [bedrijf 1] , [adres 5] , grote hoeveelheden aceton gekocht bij het bedrijf [bedrijf 2] in Mönchengladbach. Het bedrijf [bedrijf 2] leverde de voor [bedrijf 1] bestemde aceton telkens volgens opdracht in blauwe jerrycans op het terrein van [bedrijf 3] , [adres 6] t/m [adres 7] . Vervolgens werden de stickers van het bedrijf [bedrijf 2] van de jerrycans verwijderd en op sommige jerrycans vervangen door stickers van het bedrijf [bedrijf 3] . De verdachte [medeverdachte 1] vervoerde alle geleverde jerrycans aceton vervolgens van Velbert naar [locatie] in Nederland in een huurvoertuig van [bedrijf 4] , in sommige gevallen in twee huurvoertuigen met medewerking van medeverdachte [medeverdachte 2] . Hierbij stonden de opnieuw geëtiketteerde jerrycans rechtstreeks bij de te openen achterdeur van de bestelauto’s geplaatst in geval van een politie- of douanecontrole. In Nederland zou de aceton door onbekende daders worden gebruikt om ecstasypillen te maken.
Meer in detail vervoerde de verdachte [medeverdachte 1] in de volgende gevallen de jerrycans aceton die door het bedrijf [bedrijf 2] in Mönchengladbach voor het bedrijf [bedrijf 1] naar Velbert werden geleverd, naar [locatie] naar een industrieterrein aan [adres 2] .
1e dossier 3
op 10-04-2018 samen met de medeverdachte [medeverdachte 2] in twee huurvoertuigen 1.600 kilogram aceton (64 jerrycans x 25 kg aceton), die de verdachte [medeverdachte 1] voor 1.872,00 euro (exclusief de prijs van de jerrycans) bij het bedrijf [bedrijf 2] heeft gekocht en contant heeft betaald;
terwijl de verdachte [medeverdachte 1] de bestelauto met het kenteken [kenteken 1] gebruikte om de helft van de jerrycans te vervoeren, gebruikte de verdachte [medeverdachte 2] de bestelauto met het kenteken [kenteken 2] om 32 jerrycans aceton te vervoeren.
2e dossier 4
op 18-04-2018, wederom samen met medeverdachte [medeverdachte 2] , in twee huurvoertuigen 1.600 kilogram aceton (64 jerrycans x 25 kg aceton), die de verdachte [medeverdachte 1] voor 1.872,00 euro (exclusief de prijs van de jerrycans) bij het bedrijf [bedrijf 2] heeft gekocht en contant heeft betaald; terwijl de verdachte [medeverdachte 1] de bestelauto met het kenteken [kenteken 2] gebruikte om de helft van de jerrycans te vervoeren, gebruikte de verdachte [medeverdachte 2] de bestelauto met het kenteken [kenteken 3] om 32 jerrycans aceton te vervoeren.
3e dossier 5
in ieder geval op 03-05-2018 in de gehuurde bestelauto met het kenteken [kenteken 2] , 800 kilogram aceton (32 jerrycans x 25 kg aceton), die hij op 24-04-2018 bij het bedrijf [bedrijf 2] bestelde en die op 26-04-2018 naar Velbert werden uitgeleverd; de verdachte [medeverdachte 1] betaalde de koopprijs van 936 euro (exclusief de prijs van de jerrycans) contant bij de levering.
4e dossier 6
Op 02-05-2018 bestelde de verdachte [medeverdachte 1] 1.600 kilogram aceton bij het bedrijf [bedrijf 2] , die op 07-05-2018 werden geleverd op het gebruikelijke adres van het bedrijf [bedrijf 3] in Velbert. De verdachte [medeverdachte 1] vervoerde telkens 800 kilogram aceton in de gehuurde bestelauto met het kenteken [kenteken 2] naar zijn afnemers in Nederland, en wel op 08-05-2018 naar het voornoemde magazijn in [locatie] .
5e dossier 7
Reeds op 14-05-2018 leverde het bedrijf [bedrijf 2] op basis van een bestelling van de verdachte [medeverdachte 1] op 08-05-2018 nog eens 800 kilogram aceton op het gebruikelijke adres van het bedrijf [bedrijf 3] te Velbert, die de verdachte [medeverdachte 1] op 15-05-2018 in een huurvoertuig met het kenteken [kenteken 4] naar voormeld magazijn in [locatie] vervoerde.
De verdachte [medeverdachte 1] ontving van zijn afnemers minimaal 2.000,00 euro voor elke geleverde 800 kilogram aceton (punt 1: € 4.000, punt 2: € 4.000, punt 3: € 2.000, punt 4: € 4.000, punt 5: € 2.000). De verdachte [medeverdachte 1] betaalde de medeverdachte [medeverdachte 2] € 300,00 voor elke transportrit.
De procedure met betrekking tot de beschuldiging van de illegale handel in verdovende middelen ten aanzien van de verdachte [medeverdachte 1] werd overeenkomstig § 154a lid 2 Duits W.v.Sv. beperkt. Ten aanzien van de beklaagde [medeverdachte 2] werd de procedure met betrekking tot de desbetreffende medeplichtigheid hieraan c.q. de aflevering van verdovende middelen overeenkomstig § 154a lid 2 Duits W.v.Sv. beperkt.
De bevindingen over de feiten van de zaak zijn gebaseerd op de volledig bekennende verklaringen van de verdachten, aan de waarheid waarvan de rechtbank geen enkele twijfel heeft.
Aanvullende bewijsoverweging
Het hof verenigt zich met de bewijsoverwegingen van de rechtbank en overweegt in aanvulling hierop als volgt.
Bestemming
Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 10a, eerste lid, onder 3, van de Opiumwet strafbaar is degene die voorwerpen of stoffen voorhanden heeft waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het opzettelijk vervaardigen van een middel voorkomend op lijst I van de bijlage bij de Opiumwet en dat hij die voorwerpen of stoffen voorhanden heeft om dat vervaardigen voor te bereiden of te bevorderen. Wat betreft de bestemming van de voorhanden voorwerpen of stoffen, is wetenschap in voorwaardelijke zin voldoende, maar kan ook een variant van culpa toereikend zijn, te weten een ernstige reden om te vermoeden dat die voorwerpen of stoffen zijn bestemd voor het vervaardigen van een middel van lijst I. Als het gaat om gedragingen met betrekking tot voorwerpen of stoffen die in principe niet verboden zijn of als het gaat om gedragingen met betrekking tot voorwerpen of stoffen waarvan de verdachte de werkelijke aard niet kent, dient dan meer in het bijzonder te kunnen worden vastgesteld dat de verdachte opzet had op die criminele bestemming en dat hij handelde om de vervaardiging van synthetische drugs voor te bereiden of te bevorderen.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat tijdens de doorzoeking van loods 9 op 23 mei 2018 voorwerpen en stoffen zijn aangetroffen die gebruikt kunnen worden voor de vervaardiging van synthetische drugs, waaronder 45 gevulde jerrycans van 25 liter (totaal 1.125 liter) met aceton en 33 gevulde jerrycans van 30 liter (totaal 990 liter) met zoutzuur. Zoals door de rechtbank reeds overwogen kan het niet anders dan dat de verdachte van de aanwezigheid van de voorwerpen en stoffen moet hebben geweten. Het is een feit van algemene bekendheid dat voor de vervaardiging van synthetische drugs grote hoeveelheden chemicaliën nodig zijn en deze vaak worden verpakt en vervoerd in jerrycans. Voorts is het hof van oordeel dat de verdachte door in te stemmen met de opslag van deze voorwerpen en stoffen minst genomen had moeten vermoeden dat deze bestemd waren voor de vervaardiging van synthetische drugs en op het bevorderen van dat vervaardigen dus ook opzet heeft gehad.
Medeplegen
Zoals door de rechtbank overwogen kan buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte betrokken is geweest bij en wetenschap moet hebben gehad van de aanwezigheid van de bewezenverklaarde voorwerpen en stoffen in zijn loods. Uit de bewijsmiddelen volgt dat hij hierover tevens contact moet hebben onderhouden met de medeverdachte [medeverdachte 3] , dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 3] en dat beiden een aantoonbare en significante bijdrage hebben geleverd aan de voorbereidingshandelingen, zodat medeplegen wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Op te leggen sancties
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van voorarrest.
De verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf. Daartoe heeft de verdediging in het bijzonder naar voren gebracht dat verdachtes situatie op dit moment anders is dan in 2020. De verdachte is inmiddels gescheiden en heeft het contact met zijn kind verloren. Ook heeft hij zijn woning moeten verkopen, is zijn onderneming ontbonden en is sprake van een schuld bij de belastingdienst. Ten gevolge van de verschillende problemen heeft de verdachte ook drankproblemen gekregen.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen sancties gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Bij het bepalen van de op te leggen sancties neemt het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van grote hoeveelheden grondstoffen/chemicaliën en (laboratorium)benodigdheden die nodig zijn voor de productie van synthetische drugs. De verdachte heeft zijn loods beschikbaar gesteld voor de opslag van deze stoffen/chemicaliën en voorwerpen en heeft in het kader van deze activiteiten contact gelegd/onderhouden en/of afspraken gemaakt. De verdachte heeft met zijn handelen aldus een essentiële rol gespeeld. Synthetische drugs kunnen allerlei gevaren voor de gezondheid van de gebruikers daarvan opleveren, terwijl die gebruikers hun mogelijke verslaving hieraan veelal door ander crimineel handelen proberen te bekostigen, ten gevolge waarvan de samenleving op die wijze ook schade wordt berokkend. De verdachte heeft zich van deze belangen kennelijk niets aangetrokken. Dat rekent het hof de verdachte aan. Het uitgangspunt bij een feit als het onderhavige is – in het bijzonder gelet op de aard en ernst van het feit en de rol van de verdachte – een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 8 december 2025. Uit dit uittreksel blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde handelen eerder onherroepelijk is veroordeeld. Die veroordelingen dateren evenwel van langer geleden en hebben te maken met andersoortige strafbare feiten dan het thans bewezenverklaarde. Het hof zal voornoemde omstandigheid dan ook niet ten nadele van de verdachte bij het bepalen van de (hoogte van de) op te leggen sancties meewegen.
Het hof heeft verder acht geslagen op hetgeen door en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte is na het bewezenverklaarde gescheiden, zijn woning kwijtgeraakt, zijn bedrijf is geliquideerd, hij heeft een belastingschuld en worstelt met een alcoholprobleem. Hij leeft nu van een bijstandsuitkering, heeft een oplossing gevonden met de fiscus, woont inmiddels in een eenkamerwoning en heeft een nieuwe relatie die hem steunt.
Bij het bepalen van de op te leggen sancties heeft het hof zich voorts rekenschap gegeven van de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Deze termijn is in de onderhavige zaak aangevangen op 9 juni 2020, de dag waarop van de zijde van de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Het hof wijst het onderhavige arrest op 9 april 2026. Het hof stelt vast dat het niet binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld tot een einduitspraak is gekomen. In hoger beroep is de redelijke termijn met een periode van 3 jaren en ongeveer 10 maanden overschreden. Tijdens de behandeling van de zaak in hoger beroep zijn weliswaar nog verschillende getuigen gehoord, maar dat vormt naar het oordeel van het hof geen rechtvaardiging voor voornoemde aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
Naar het oordeel van het hof is het recht op een behandeling in hoger beroep binnen een redelijke termijn dan ook geschonden. Het hof is van oordeel dat deze schending van de redelijke termijn dient te leiden tot strafvermindering. Zonder schending van de redelijke termijn zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar met aftrek van voorarrest passend en geboden zijn geweest. Rekening houdend met voornoemde schending, zal het hof in plaats daarvan een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest aan de verdachte opleggen.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10a van de Opiumwet, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.