Naar hoofdinhoud

ECLI:NL:HR:2026:1007

Hoge Raad

Uitspraak
23 juni 2026
Zaaknummer
25/03511
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie, Beschikking

Inhoudsindicatie

Beklag ex art. 98.4 jo. art. 552a Sv tegen beslag op samenwerkingsovereenkomst i.v.m. strafrechtelijk onderzoek tegen o.m. klager en medeklaagster t.z.v. verdenking van niet-ambtelijke omkoping, valsheid in geschrift en witwassen. Kon Rb beklag n-o verklaren omdat klager en medeklaagster geen verschoningsgerechtigden zijn en niet is gebleken dat A (advocatenkantoor) zich t.a.v. samenwerkingsovereenkomst op het aan A toebehorende verschoningsrecht heeft beroepen? Art. 98 Sv bevat regeling die ertoe strekt dat bij inbeslagneming van voorwerpen (professioneel) verschoningsrecht wordt gerespecteerd. Het is RC die beslist of inbeslagneming is toegestaan (art. 98.1 en 98.3 Sv). Als RC beslist dat inbeslagneming is toegestaan van brief of ander geschrift waarvan redelijk vermoeden bestaat dat verschoningsrecht zich daarover uitstrekt, moet hij o.g.v art. 98.3 Sv betreffende verschoningsgerechtigde mededelen dat tegen zijn beslissing beklag openstaat. Zo’n beschikking moet daartoe aan verschoningsgerechtigde worden betekend (vgl. art. 98.4 Sv en HR:2024:562). Verschoningsgerechtigde kan binnen 14 dagen na betekening o.g.v. art. 552a Sv klaagschrift tegen beschikking indienen. Art. 98.4 Sv stelt mogelijkheid tot indienen van klaagschrift tegen beschikking van RC uitsluitend open voor de in art. 98.1 Sv bedoelde personen met bevoegdheid tot verschoning. Wettelijk stelsel voorziet verder in mogelijkheid van belanghebbenden om o.g.v. art. 552a Sv beklag te doen tegen inbeslagneming van stukken en/of gegevens. In het geval dat beslagene of andere belanghebbende die niet verschoningsgerechtigde is, in die beklagprocedure aanvoert dat geheimhouder bevoegdheid tot verschoning kan uitoefenen t.a.v. die stukken en/of gegevens, brengt redelijke wetstoepassing mee dat ook in dat geval procedure a.b.i. art. 98 Sv zal moeten worden gevolgd. RC zal dan moeten beslissen over beroep op verschoningsrecht. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2015:3076 en HR:2016:1343, inhoudende dat in beklagzaak van beslagene of andere belanghebbende die niet verschoningsgerechtigde is, onherroepelijk oordeel in beklagprocedure van verschoningsgerechtigde tot uitgangspunt moet worden genomen. Rb heeft vastgesteld dat klager geen verschoningsgerechtigde is a.b.i. art. 98.1 Sv. Die vaststelling brengt met zich dat voor klager niet mogelijkheid openstaat tot indienen van klaagschrift a.b.i. art. 98.4 Sv tegen beschikking van RC. Rb heeft klager op die grond terecht n-o verklaard in klaagschrift v.zv. dat zich richt tegen beschikking van RC. In geval als dit, waarin beklag in klaagschrift is aangeduid als beklag dat is gericht tegen beschikking die RC o.g.v. art. 98.3 Sv heeft genomen, maar uit inhoud van klaagschrift ook kan worden afgeleid dat beklag zich richt tegen gebruik van samenwerkingsovereenkomst, op de grond dat niet juiste procedure is gevolgd die geldt bij inbeslagneming van geschrift waarover verschoningsrecht zich uitstrekt, moet rechter beklag mede opvatten als beklag o.g.v. art. 552a Sv tegen inbeslagneming van samenwerkingsovereenkomst. Er moet immers van worden uitgegaan dat klager rechtsmiddel heeft willen instellen dat openstond tegen gebruik van samenwerkingsovereenkomst (vgl. HR:2025:578). Rb heeft meer vastgesteld dat samenwerkingsovereenkomst “onder verschoningsrecht van A valt”. RC heeft aan klager bericht dat zijn beschikking naar (gemachtigde van) A is gestuurd en dat er contact is geweest met A. Rb heeft verder vastgesteld dat A geen klaagschrift tegen beschikking van RC heeft ingediend en dat niet is gebleken dat A zich t.a.v. samenwerkingsovereenkomst op verschoningsrecht heeft beroepen. Hieruit volgt dat A, als verschoningsgerechtigde, geen klaagschrift a.b.i. art. 98.4 Sv heeft ingediend. Rb heeft daarom terecht door klager ingediend klaagschrift n-o verklaard v.zv. dat tegen inbeslagneming van samenwerkingsovereenkomst is gericht. Aan voorgaande doet niet af dat beschikking van RC niet (rechtsgeldig) is betekend aan A. Uit die vaststellingen volgt immers ook dat A op de hoogte is gesteld van beschikking van RC, terwijl ook klager zelf heeft gesteld dat verschoningsgerechtigde geen beroep doet op verschoningsrecht en daarom geen klaagschrift heeft ingediend. Ook namens klager aangevoerde omstandigheden dat A ten onrechte geen beroep zou hebben gedaan op verschoningsrecht, dat klager (mede) in verband daarmee tuchtrechtelijke procedure heeft aangespannen tegen A en dat Rb niet uitkomst van tuchtprocedure heeft afgewacht, leiden niet tot andere uitkomst. Het is immers aan geheimhouder zelf om te beslissen of beroep wordt gedaan op verschoningsrecht (vgl. HR:1985:AC9066). Rb was niet gehouden uitkomst van tuchtprocedure af te wachten. Dit brengt dat mee dat HR cassatieberoep van klager niet in behandeling kan nemen (vgl. HR:2024:312). Klager n-o. Samenhang met 25/03512 B.

Uitspraak

Lees de hele uitspraak met een gratis account

Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.