ECLI:NL:HR:2026:1264
Hoge Raad
- Uitspraak
- 14 juli 2026
- Zaaknummer
- 25/01667
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Cassatie
Inhoudsindicatie
Doodslag, art. 287 Sr. TBS met dwangverpleging opgelegd. Vordering benadeelde partij t.z.v. vergoeding van affectieschade en oplegging schadevergoedingsmaatregel. Kan b.p. (stiefvader van slachtoffer) worden aangemerkt als “naaste” a.b.i. art. 6:108.4 BW? Uit wetsgeschiedenis blijkt dat wetgever tot uitgangspunt heeft genomen dat kring van personen die recht hebben op vergoeding van affectieschade, beperkt is tot personen die geacht mogen worden zeer nauwe band met slachtoffer te hebben. Ruimere kring van gerechtigden zou volgens wetgever de beheersbaarheid van regeling sterk doen afnemen en onvoldoende zekerheid bieden dat vergoeding alleen wordt betaald in gevallen waarin daadwerkelijk sprake is van ernstig verlies (vgl. HR:2025:1619). Uit vaststellingen van Rb volgt dat b.p. in 1983 als stiefvader deel is gaan uitmaken van gezin waarin toen 13-jarig slachtoffer tot zijn 20e levensjaar opgroeide en dat slachtoffer t.t.v. bewezenverklaard feit in 2021 (“gebeurtenis” a.b.i. art. 6:108.4.e BW) dus niet meer “thuiswonend” was. Rb heeft vervolgens geoordeeld dat stiefouders “naar letter” niet onder de in art. 6:108.4 BW bedoelde personen vallen, maar dat uit de door Rb genoemde motie zou volgen dat stiefouders “dezelfde bedragen ter vergoeding van affectieschade krijgen als biologische ouders”. Op grond hiervan heeft Rb de vordering b.p. tot vergoeding van affectieschade tot € 17.500 toegewezen. Dit (door hof overgenomen) oordeel is ontoereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat uit overwegingen van Rb onvoldoende kan worden afgeleid op welke in art. 6:108.4 BW vermelde grond en op welke door Rb vastgestelde omstandigheden Rb de toewijzing van vordering b.p. heeft gebaseerd. V.zv. Rb die toewijzing heeft gegrond op art. 6:108.4.c BW geldt dat in deze bepaling de stief- of pleegouder niet is opgenomen. V.zv. Rb die toewijzing heeft gegrond op art. 6:108.4.e BW geldt dat uit vaststellingen van Rb volgt dat b.p. t.t.v. bewezenverklaard feit in 2021 (“gebeurtenis” a.b.i. art. 6:108.4.e BW) al geruime tijd niet meer duurzaam in gezinsverband de zorg voor slachtoffer had. V.zv. Rb die toewijzing heeft gegrond op art. 6:108.4.g BW geldt dat Rb geen nadere feiten heeft vastgesteld over intensiteit, aard en duur van relatie tussen slachtoffer en b.p. die beroep op deze (in wetsgeschiedenis als “hardheidsclausule” aangeduide) bepaling kunnen dragen. Dat uit totstandkomingsgeschiedenis van art. 6:108 BW de wens naar voren komt dat (zoals t.a.v. pleegouders uiteindelijk ook is vastgelegd in de in art. 6:108.3 BW bedoelde algemene maatregel van bestuur) ouders en stiefouders, als wet aan hen aanspraak geeft op vergoeding van affectieschade, aanspraak kunnen maken op bedragen van gelijke hoogte, maakt dit alles niet anders. Voorgaande brengt mee dat ook oplegging van de in art. 36f Sr voorziene maatregel niet in stand kan blijven (vgl. HR:2019:901). Mede gelet op wat hiervoor is overwogen, moet worden aangenomen dat hernieuwde behandeling van zaak na vernietiging door HR om uitsluitend hierover opnieuw te oordelen, onevenredige belasting van strafgeding a.b.i. art. 361.3 Sv zou opleveren. HR zal daarom bepalen dat vordering b.p. n-o is en dat b.p. deze slechts bij burgerlijke rechter kan aanbrengen. Volgt (partiële) vernietiging (zonder terugwijzing) t.a.v. vordering b.p. en oplegging van schadevergoedingsmaatregel. CAG (strekking): (partiële) vernietiging en terugwijzing t.a.v. vordering b.p. en oplegging van schadevergoedingsmaatregel.
Uitspraak
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.