Naar hoofdinhoud

ECLI:NL:HR:2026:1358

Hoge Raad

Uitspraak
25 augustus 2026
Zaaknummer
24/03531
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie

Inhoudsindicatie

Medeplegen afpersing, art. 317.3 jo. 312.2.2 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht, innerlijke tegenstrijdigheid ‘s hofs arrest. Strookt ’s hofs vaststelling in bewijsvoering “medeverdachte zei op dreigende toon dat aangever niet thuis zou komen als hij niet zou betalen” met vrijspraak van “(dreigend)” gezegd zijn van die soortgelijke tlgd. bewoordingen? HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: In ’s hofs oordeel en daarbij betrokken feiten en omstandigheden ligt besloten dat tlgd. bewoordingen “dat hij dan niet thuis zou komen” niet (zoals is tlgd.) “dreigend” (door medeverdachte) tegen aangever gezegd. Daarom moet worden aangenomen dat ten gevolge van kennelijke vergissing in bewijsvoering is opgenomen dat medeverdachte “op dreigende toon” zei “dat aangever niet thuis zou komen als hij niet zou betalen”, terwijl hof kennelijk slechts heeft bedoeld duidelijk te maken dat deze door medeverdachte gebruikte bewoordingen aan bedreigende sfeer hebben bijgedragen. Verdachte is door ongelukkige formulering van hof niet in zijn belangen geschaad, omdat uit ’s hofs vaststellingen in bewijsvoering in voldoende mate kan worden afgeleid dat sprake is geweest van bedreiging met geweld a.b.i. art. 317 Sr. Uit samenstel van vastgestelde uitlatingen en gedragingen heeft hof immers kunnen afleiden dat vrees van aangever voor geweld gerechtvaardigd was. Dat bewezenverklaarde bewoordingen niet op dreigende wijze zijn gezegd doet daar niet af, in aanmerking genomen dat hof blijkens arrest is uitgegaan van lezing van aangever over hetgeen is gebeurd en hof ook heeft vastgesteld dat aangever zich bedreigd voelde en gevoel had dat hij geen kant op kon. Volgt verwerping.

Uitspraak

Lees de hele uitspraak met een gratis account

Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.