ECLI:NL:PHR:2015:1754
Parket bij de Hoge Raad
- Uitspraak
- 30 juni 2015
- Zaaknummer
- 14/01785
- Rechtsgebied
- Strafrecht
Inhoudsindicatie
Anti-piraterijmissie Somalië. Art. 5 EVRM. Artt. 105 en 110 UNCLOS. Verhouding tussen defensiebelang en strafvorderlijk belang. Geen willekeurige vrijheidsbeneming a.b.i. art. 5.1 aanh sub c EVRM gedurende de periode vanaf de arrestatie op zee door de Commandant Nederlandse Marine tot het moment dat de vrijheidsbeneming door het bevel van de OvJ tot aanhouding van verdachte de dag erna onder het regiem van Sv viel.
Uitspraak
11 Het eerste middelfaalt.
12. Het tweede middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld “dat pas vanaf het moment dat de officier van justitie de aanhouding van verzoeker en zijn medeverdachten beval op 3 april 2011, welke aanhouding op 4 april 2011 aan hem bekend werd gemaakt, sprake was van strafvorderlijke bevoegdheden en de Commandant van de HMS Tromp in de daaraan voorafgaande fase bevoegd was op te treden op grond van art. 105 UNCLOS en art. 7 SUA.” De stelling is dat de genoemde internationale regels geen strafvorderlijke bevoegdheden verschaffen en dat als het optreden in de eerste fase wordt gebaseerd op de bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering inzake ‘Strafvordering buiten het gebied van een rechtbank’ (Boek IV, titel VIA art. 539a e.v. Sv) bij de toepassing vormverzuimen zijn gepleegd.
13. De bedoelde internationale regels zijn opgenomen in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (United Nations Convention on the law of the Sea), (hierna: UNCLOS) en het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart (Convention for the Suppression of Unlawful Acts against the Safety of Maritime Navigation), (hierna: SUA).
14. Het Hof heeft in dit verband in het arrest (in cassatie onbetwist) nog het volgende overwogen:
“Artikel 100 UNCLOS bevat de verplichting van de verdragsstaten om samen te werken ter onderdrukking van piraterij en luidt als volgt (in de Nederlandse vertaling): "Alle staten werken zo nauw mogelijk samen ter onderdrukking van piraterij op volle zee of op andere plaatsen die buiten de rechtsmacht van enige staat vallen."
Artikel 105 UNCLOS bevat de bevoegdheid om op te treden tegen piraterij en luidt als volgt (in de Nederlandse vertaling): "In volle zee of op andere plaatsen' die buiten de rechtsmacht van enige staat zijn gelegen, mag iedere staat een piratenschip of piratenluchtvaartuig of een schip of luchtvaartuig dat door piraten onderscheidenlijk kapers is overmeesterd en zich in hun macht bevindt, in beslag nemen, de personen aan boord arresteren en de goederen aan boord in beslag nemen. De gerechten van de staat die de inbeslagneming heeft uitgevoerd, kunnen beslissen over de op te leggen straffen en kunnen tevens besluiten hoe gehandeld zal worden met de schepen, luchtvaartuigen of eigendommen, met inachtneming van de rechten van derden te goeder trouw."
Artikel 110 UNCLOS luidt verder als volgt (in de Nederlandse vertaling):
"Recht van onderzoek
1. Behalve in gevallen waarin zulks is toegestaan uit hoofde van aan verdragen ontleende bevoegdheden is een oorlogsschip dat in volle zee een vreemd schip aantreft, dat 'geen schip is dat overeenkomstig de artikelen 95 en 96 recht heeft op volledige immuniteit, niet gerechtigd het aan te houden, tenzij er gegronde reden bestaat aan te nemen:
a) dat het schip zich bezighoudt met piraterij;
b) dat het schip zich bezighoudt met slavenhandel;
c) dat het schip zich bezighoudt met uitzendingen waarvoor geen machtiging is verleend en de vlaggenstaat van het oorlogsschip ingevolge artikel 109 rechtsmacht bezit;
d) dat het schip geen nationaliteit heeft; of
e) dat het schip, hoewel het een vreemde vlag voert of weigert zijn vlag te tonen, in werkelijkheid van dezelfde nationaliteit is als het oorlogsschip.
2. In de gevallen bedoeld in lid 1 kan het oorlogsschip overgaan tot een onderzoek naar het recht van het schip tot het voeren van zijn vlag.
Te dien einde kan het een boot naar het verdachte schip zenden onder bevel van een Officier. Indien er na het onderzoek van de scheepspapieren verdenking blijft bestaan, kan het overgaan tot een nader onderzoek aan boord van het schip, welk onderzoek dient te geschieden zonder onnodige overlast te veroorzaken.
3. Indien de verdenkingen ongegrond blijken te zijn en indien het aangehouden schip niets heeft gedaan om die verdenkingen te rechtvaardigen, wordt het schadeloos gesteld voor ieder verlies of iedere schade daardoor eventueel geleden.
4. Deze bepalingen zijn mutatis mutandis van toepassing op militaire luchtvaartuigen.
5. Deze bepalingen zijn eveneens van toepassing op andere naar behoren gemachtigde schepen of luchtvaartuigen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in gebruik zijn bij de staat.
Voornoemde verdragsbepalingen voorzien aldus in een universele rechtsmacht voor de staat die tot aanhouding van piraterijverdachten overgaat.
De UNCLOS-bepalingen beperken zich echter tot optreden van staten in volle zee en zijn dus niet zonder meer van toepassing binnen de territoriale wateren van Somalië. Verdergaande bevoegdheden om op te treden zijn evenwel te vinden in een aantal resoluties van de Veiligheidsraad, namelijk nummers 1814, 1816, 1838, 1846, 1851 en 1950.
In artikel 6, eerste en tweede lid van het SUA is aangegeven in welke gevallen de staten rechtsmacht moeten of kunnen vestigen voor strafbare feiten waarop het verdrag betrekking heeft. In het vijfde lid van dit artikel is uitdrukkelijk bepaald dat het verdrag geen enkele in overeenstemming met de nationale wetgeving uitgeoefende rechtsmacht in strafrechtelijke aangelegenheden uitsluit.
Ter ondersteuning van resolutie 1816 is de European Union Naval Coordination Cell (EU NA-VCO) opgericht. Van belang is daarbij het 'Gemeenschappelijk Optreden 2008/851/GBVB van de Raad van 10 november 2008 inzake de militaire operatie van de Europese Unie teneinde bij te dragen tot het ontmoedigen, het voorkomen en bestrijden van piraterij en gewapende overvallen voor de Somalische kust' .
In deze regeling is onder meer opgenomen artikel 12 lid 1 dat aan een lidstaat de navolgende bevoegdheden geeft:
"Op basis van de acceptatie van Somalië ten aanzien van de uitoefening van hun rechtsmacht door de lidstaten of derde Staten, enerzijds, en artikel 105 van VN-Zeerechtverdrag anderzijds, worden in de territoriale wateren van Somalië gevangen genomen personen die daden van piraterij of gewapende overvallen hebben begaan of hiervan verdacht worden, alsmede de goederen in beslag genomen die tot uitvoering van deze daden gediend hebben,
- overgedragen aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat of de derde Staat die deelneemt aan de operatie waarvan het schip dat tot gevangenneming is overgegaan, de vlag voert, of
- indien deze Staat zijn rechtsmacht niet kan of wil uitoefenen, aan een lidstaat of een derde Staat die die rechtsmacht wil uitoefenen ten aanzien van de bovengenoemde personen of goederen".
15. De feitelijke gang van zaken is voor zover van belang door het Hof als volgt in het arrest (8.3) opgenomen:
“In het kader van de anti-piraterijmissie Ocean Shield patrouilleerde de Nederlandse Marine met de Tromp in de wateren rondom Somalië. Het doel van de operatie was het begeleiden van schepen en het bestrijden en voorkomen van kapingen op koopvaardij schepen in het operatiegebied.
Mede doordat de koopvaardijschepen de Somalische kust mijden, verlegden de piraten hun operatiegebied verder uit de kust van Somalië.
Gebleken is dat de Somalische piraten volgens eenzelfde modus operandi werken. De piraten bereiden hun acties voor op het vaste land van Somalië. Zij maken bij hun acties gebruik van kleine en snelle schepen, zoals een skiff. Ook maken zij gebruik van grotere vissersschepen, ook wel moederschepen genoemd. Deze vissersschepen zijn in staat om grote afstanden af te leggen. In geval van piraterij worden de snelle aanvalsskiffs aan boord van de grote vissersboot (dhow) meegenomen. Dit visserschip fungeert daarbij vervolgens als bevoorradings- of moederschip dan wel als uitvalsbasis en één of twee skiffs voor een snelle benadering van de te kapen schepen. Naast extra brandstof ter vergroting van de actieradius en voedselvoorraden voor langere tijd, nemen de piraten in alle gevallen (vuur)wapens aan boord mee. Het betreft dan machinegeweren van Russische makelij en in vele gevallen raketwerpers. Tenslotte zijn de piratenschepen uitgerust met ladders en andere materialen om schepen te enteren.
Op 2 april 2011 bevindt de Tromp zich in de wateren voor de kust van Somalië ter hoogte van Camp Grisby. Camp Grisby staat bekend als een locatie waar vandaan piraterij activiteiten worden georganiseerd. In de directe omgeving liggen diverse gekaapte schepen voor anker.
Er wordt door de bemanning van de Tromp een visserschip (de Feddah) waargenomen die in de globale richting van Hargadeere te Somalië vaart. Er wordt getracht de Feddah op te roepen via de boordradio, waarop niet wordt gereageerd.
Hierna wordt de Feddah door de bemanning van 2 RHIBS van de marine benaderd, teneinde een nader onderzoek aan boord van de Feddah uit te voeren. Aan boord is een groot aantal personen zichtbaar. Als de RHIBS de Feddah zijn genaderd volgt er een vuurgevecht tussen de Feddah enerzijds en de RHIBS en de Tromp anderzijds. Door de beschieting door de marine raken een aantal Somalische opvarenden van de Feddah (dodelijk) verwond.
Na dit vuurgevecht is een skiff met daarop een aantal personen de Feddah ontvlucht. Door middel van waarschuwingsschoten voor de boeg wordt de skiff door de marine tot stoppen gedwongen. Aan boord van de skiff bevonden zich onder andere de verdachten V01, V02, V06 en V09. Aan boord van de Feddah is door marinepersoneel een groep Iraniërs, waaronder [betrokkene 1] , alsmede een grote groep Somaliërs waaronder de getuige G14 en de verdachten V11, V12, V13, V15 en V16 aangetroffen.
Als later het marinepersoneel aan boord van de Feddah komt worden onder andere grote hoeveelheden jerrycans met brandstof, water, voedsel en ladders, alsmede (automatische) vuurwapens met munitie aangetroffen.
Het betreft 1 RPG lanceerbuis met munitie, 1 AK58P machinegeweer met munitie, 1 PKM machinegeweer, 3 houders van een AK en 1 mes.
Op 2 april 2011 heeft de ISTAR-officier (G02) met de opvarenden van de skiff gesproken. Ook op 2 april heeft diezelfde ISTAR-officier (G02) een gesprek gevoerd met de kapitein van de Feddah, [betrokkene 1] en daarvan schriftelijke aantekeningen gemaakt (document G1).
Op 3 april 2011 is door de officier van justitie mr. M.H. Baan de aanhouding buiten heterdaad van de verdachte bevolen op verdenking van het dienstnemen of dienstdoen op een vaartuig wetende dat dat vaartuig bestemd was of gebruikt werd om in open zee daden van geweld te plegen tegen andere vaartuigen of tegen zich daarop bevindende personen of goederen en poging tot moord, c.q. doodslag ten aanzien van personeel van de Nederlandse Koninklijke Marine werkzaam op de op de Tromp. De commandant van de Tromp, de Kapitein ter Zee [betrokkene 2] , heeft vervolgens op 4 april 2011 aan de verdachte medegedeeld dat hij is aangehouden ter zake van overtreding van zeeroof en van poging tot moord. Deze mededeling werd gedaan in de Nederlandse taal en met behulp van een tolk in de Somalische taal vertaald in een voor de verdachte begrijpelijke taal.
Op 6 april 2011 is door de rechter-commissaris mr. R.F. de Knoop een bevel tot bewaring verleend tegen de verdachte voor een termijn van veertien dagen.
De (toenmalige) raadsman van de verdachte, mr. R. Heemskerk, is hierbij door de rechter-commissaris gehoord.
Op 18 april 2011 is de verdachte naar Nederland overgebracht en geplaatst in de Penitentiaire Inrichting Genie Poort in Alpen aan de Rijn. Op 19 april 2011 is vervolgens op last van de Raadkamer de gevangenhouding van de verdachte voor 90 dagen bevolen.”
16. Het oordeel van het Hof zoals weergegeven onder 8.4, 8.4.2.3. en 8.4.3.3. in het arrest is het volgende:
(8.4) “Het hof zal allereerst een algemene overweging wijden aan de bijzondere aspecten van zaken als de onderhavige en aan de complicaties die met name de samenloop van een militaire missie en de daarmee samenhangende vervolging van verdachte voor de strafrechtelijk afdoening kan meebrengen.
Om te beginnen neemt het hof over hetgeen de rechtbank in het beroepen vonnis heeft overwogen onder het kopje "Vooropstelling", inhoudende:
"In het kader van dé ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is door de verdediging veel verweer gevoerd. Een groot deel van die verweren vond zijn grondslag in de samenwerking tussen Defensie en het openbaar ministerie, meer in het bijzonder in de afweging tussen strafvorderlijke belangen en defensiebelangen.
Wanneer deze afweging wordt beschouwd vanuit een defensieperspectief is de nadruk op de defensiebelangen goed te begrijpen. In het kader van deelname van Nederland aan anti-piraterij-missies als Atalanta en Ocean Shield patrouilleren marineschepen in de Golf van Aden en in de Indische Oceaan. Het doel van de operaties is het begeleiden van schepen van het
wereldvoedselprogramma en het bestrijden en voorkomen van kapingen op koopvaardijschepen in het operatiegebied van de Hoorn van Afrika. In de kern is deze taak van de marine van vrijwel zuiver militaire aard.
Inmiddels is het na een aantal jaren van piraterijbestrijding voor defensie, maar vooral ook voor het openbaar ministerie, duidelijk dat tijdens de genoemde missies door de marine verdachten kunnen worden aangehouden en dat op enig moment tot strafvervolging wordt besloten. Uitgaande van het primaire militaire doel is het ook dan nog begrijpelijk dat het defensiebelang wordt vooropgesteld en dat de strafvordering, zeker in de beginfase van een onderzoek, een rol op de achtergrond speelt. Dit wordt nog eens versterkt doordat Defensie steeds ter plaatse is en justitie ook feitelijk nog op afstand zit.
Deze, voor een groot deel gedwongen, keuze voor de defensiebelangen resulteert hierin dat een opsporingsonderzoek niet steeds de vrije loop heeft maar - zeker in de beginfase - als het ware moet meanderen langs en om de defensiebelangen heen.
Dit heeft in het algemeen als consequentie dat het resultaat van een dergelijk, in zekere zin beperkt en onvolkomen opsporingsonderzoek anders is dan wanneer de strafvordering steeds haar vrije loop kan hebben. Het onderzoek Dhow vormt op deze gang van zaken géén uitzondering, maar is daarvoor exemplarisch.”
(…)
(8.4.2.3.) “Uit de hiervoor onder § 8.3 weergegeven vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt dat direct na het schietincident aanvankelijk door de commandant is opgetreden en, vanaf 3 april 2011, ook door de officier van justitie.
Van het ontbreken van een geldige titel voor de vrijheidsontneming is geen sprake, nu die titel immers zijn grondslag vindt in - aanvankelijk, op 2 april 2011, artikel 105 UNCLOS en artikel 7 SUA - en, na het optreden van de officier van justitie op 3 april 2011 de Nederlandse wettelijke procedures, meer in het bijzonder de artikelen 539a en volgende Sv.
Uit de verslaglegging van de gebeurtenissen die zich in het dossier bevindt, blijkt onder meer dat op 4 april 2011 de verdachten zijn aangehouden in opdracht van de officier van justitie d.d. 3 april 2011.
Van strijd met het bepaalde in artikel 5 EVRM is dan ook in zoverre niet gebleken.
Met betrekking tot de duur van de vrijheidsbeneming merkt het hof op dat in overeenstemming met het bepaalde in artikel 7 SUA de vrijheidsbeneming er op was gericht om de aanwezigheid van de verdachten te verzekeren gedurende de tijd die nodig was voor het instellen van strafvervolging.
Op grond van artikel 539k, tweede lid, sub b, Sv kon in het onderhavige geval redelijkerwijs worden besloten dat de verdachte langer dan zes uren zou worden opgehouden voor verhoor. De officier van justitie heeft aangegeven hiertoe te zijn overgegaan.
Op grond van artikel 539l, eerste lid, Sv wordt, zodra een besluit is genomen tot het langer dan zes uur voor verhoor ophouden, een vordering tot inbewaringstelling ingediend.
Vast is komen te staan dat op 4 april 2011 de officier van justitie heeft besloten dat de verdachte langer dan zes uur moest worden opgehouden voor verhoor, terwijl op 6 april 2011 is overgegaan tot het indienen van de vordering tot inbewaringstelling bij de rechtercommissaris, die op diezelfde dag de vordering heeft toegewezen.
Gelet op voornoemde omstandigheden is er naar het oordeel van het hof in casu geen sprake van zodanige overschrijding van de wettelijke termijnen dat daaraan enige consequentie zou moeten worden verbonden, waarbij nog opmerking verdient dat de titel van vrijheidsbeneming, het ophouden voor verhoor, niet onrechtmatig was. De op dit punt gevoerde verweren treffen dan ook geen doel.
Het hof overweegt voorts dat als er al sprake zou zijn van een vormverzuim, dit verzuim niet valt binnen het bereik van artikel 359a Sv, nu dit verzuim kan worden voorgelegd aan de rechter-commissaris die krachtens de wet belast is met het toezicht op de vrijheidsbenemende dwangmiddelen en die aan dergelijke verzuimen rechtsgevolgen kan verbinden ten aanzien van de voortzetting van de vrijheidsbeneming.”
(…)
(8.4.3.3.) “Het hof is, met het openbaar ministerie, van oordeel dat artikel 105 UNCLOS, gelet op de handelingen, verricht in het kader van de militaire missie, voldoende basis biedt voor de onderhavige inbeslagnemingen. Het dossier geeft, blijkens het vorengenoemde daartoe opgemaakte proces-verbaal d.d. 20 juni 2011 voldoende inzicht in de wijze van inbeslagneming, in de plaats van inbeslagneming en in de omstandigheden waaronder de inbeslagneming heeft plaatsgevonden, terwijl over de in beslag genomen goederen evenmin onduidelijkheid bestaat. Derhalve zijn de (Nederlandse) wettelijke bepalingen in voldoende mate nageleefd en is enig (onherstelbaar) vormverzuim daarbij niet komen vast te staan, laat staan van een doelbewuste of grove veronachtzaming van het recht van de verdachten op een eerlijk proces.”
17. Het Hof kiest onmiskenbaar juist als uitgangspunt dat het optreden tegen piraten zijn rechtsbasis vindt in het internationale zeerecht, met name het VN-Zeerechtverdrag. Dit verdrag geeft onder andere de mogelijkheid vaartuigen te doorzoeken wanneer er een redelijke grond bestaat voor de verdenking dat het betreffende vaartuig betrokken is bij piraterij. Het optreden in de territoriale wateren van Somalië in het kader van de EU- en NAVO-operaties vond ten tijde van het bewezenverklaarde feit zijn grondslag in VN-Veiligheidsraad resoluties 1846 (2008) en 1851(2008). Met resolutie 1846 autoriseerde de VN-Veiligheidsraad staten en organisaties, in de territoriale wateren van Somalië alle noodzakelijke maatregelen te nemen om piraterij en gewapende overvallen op zee te bestrijden. Met resolutie 1851 autoriseerde de VN-Veiligheidsraad diezelfde staten en organisaties op Somalisch grondgebied en in het Somalische luchtruim alle noodzakelijke maatregelen te nemen voor de bestrijding van piraterij en gewapende overvallen op zee.
18. Het tweede middel lijkt min of meer te eisen dat bij (militair) ingrijpen tegen piraterij, elk optreden tegen de piraten van meet af aan moet passen in een strafvorderlijk kader. Als de (militaire) actie oplevert dat kapers worden opgenomen op een Nederlands oorlogsschip, dan zijn kennelijk onverwijld de artt. 539a e.v Sv van toepassing. Die bepalingen verschaffen de schipper onder omstandigheden strafvorderlijke bevoegdheden en de commandant van een Nederlandse oorlogsbodem de mogelijkheid om in te grijpen. Zie voor de aanhouding artt. 539i en h Sv, voor het verhoor artt. 539j en k Sv, voor de bewaring art. 539l Sv en voor de inbeslagneming art. 539p Sv.
19. De vraag is daarmee aan de orde wat het kader is waarbinnen het optreden jegens de kapers (en dus ook verdachte) bestaande uit het aan boord nemen en vervolgens van de vrijheid beroven moet worden gezien. Moet bijvoorbeeld eerst vastgesteld worden op welk moment er sprake is van een verdenking en is vanaf dat moment het Nederlandse strafprocesrecht van toepassing? En vanaf welk moment is er sprake van vrijheidsberoving? Gaat er aan de fase van strafvorderlijk optreden een (voor)fase van controle met bevoegdheden op basis van internationale verdragen vooraf en welke zijn dan die bevoegdheden? Wat is de betekenis van gebreken in die voorfase en wat is de betekenis van gebreken in de fase nadat er sprake is van een verdenking van een strafbaar feit en van op de opheldering van dat feit gerichte opsporing? Deze en soortgelijke vragen zijn niet steeds en voor zover wel zeker niet uitputtend aan de orde gesteld in de feitelijke behandeling en evenmin in de cassatieschriftuur. Ik zal reeds daarom ook niet alle vragen – zodat al mogelijk is - beantwoorden, maar wel trachten het kader te schetsen. Voor ogen houd ik daarbij dat confrontatie tussen de Tromp en de Feddah plaatsvond op 2 april 2011 en er in ieder geval een beslissing tot aanhouding afkomstig van een Nederlandse officier van justitie was op 3 april 2011. Alle vragen hebben dus vooral betrekking op die eerste dag. Dat relativeert de vragen in zekere zin, maar doet niet af aan de begrijpelijke vraag naar de legitimatie voor het overheidsoptreden jegens verdachte op 2 en 3 april 2011. Gelet op de zeer beperkte duur van de eventuele onrechtmatige vrijheidsbeneming ligt het hoe dan ook niet voor de hand er in de strafzaak ingrijpende gevolgen aan te verbinden.
20. Het te schetsen kader is vooral van belang omdat het tweede middel inhoudt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld “dat pas vanaf het moment dat de officier van justitie de aanhouding van verzoeker en zijn medeverdachten beval op 3 april 2011, welke aanhouding op 4 april 2011 aan hem bekend werd gemaakt, sprake was van strafvorderlijke bevoegdheden en de Commandant van de HMS Tromp in de daaraan voorafgaande fase bevoegd was op te treden op grond van art. 105 UNCLOS en art. 7 SUA.” De stelling is dat de genoemde internationale regels geen strafvorderlijke bevoegdheden verschaffen en dat als het optreden in de eerste fase wordt gebaseerd op de bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering inzake ‘Strafvordering buiten het gebied van een rechtbank’ (Boek IV, titel VIA art. 539a e.v. Sv) bij de toepassing vormverzuimen zijn gepleegd.
21. Voor de vraag of tot 3 april 2011 uitgeoefende bevoegdheden hun grondslag kunnen vinden in de art. 105 UNCLOS en art. 7 SUA (r.o. 8.4.2), is de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van betekenis. In Hassan e.a. tegen Frankrijk (2014) is een jacht door Somalische piraten gekaapt in Somalische wateren. Een eenheid van Franse militairen bevrijdt de gegijzelden en arresteert de piraten op 16 september 2008. De Somaliërs worden tot 22 september 2008 onder militaire controle geplaatst. Op 23 september 2008 vliegen zij naar Frankrijk, waar zij op 25 september worden voorgeleid en onder rechterlijke controle geplaatst. Er is in het licht van het eerste lid van art. 5 EVRM volgens het EHRM een toereikende grondslag in het internationaal recht voor de vrijheidsbeneming van de verdachten en het schort evenmin aan de voorzienbaarheid dat arrestatie in het verschiet lag. Zie par. 65 t/m 68 van het arrest. Het EHRM acht echter van belang dat er geen regels zijn opgesteld die waarborgen kunnen bieden voor de (verdere) vrijheidsbeneming in de periode tussen de arrestatie van de piraten en het moment van voorgeleiding voor een rechter. Hierdoor is onvoldoende bescherming geboden tegen willekeurige inbreuken op het recht op vrijheid en is in zoverre art. 5 lid 1 EVRM geschonden, aldus het EHRM (par. 69 t/m 72).
22. Ik maak in dit verband ook nog een uitstapje naar een eerder arrest van het Hof ’s-Gravenhage, vooral ook in verband met de verhelderende annotatie onder het arrest. Op 20 december 2012 beslist het Hof in een zaak die enigszins vergelijkbaar is met de zaak die thans in cassatie aan de orde is. Op 19 november 2010 is een vermeende Somalische piraat staande gehouden, terwijl hij zich op een schip bevindt in Somalische wateren. In afwachting van een beslissing van het OM is de verdachte tijdelijk gedetineerd gehouden in de Temporary Holding Facility van Hr. Ms. Amsterdam. Op 21 november 2010 wordt hij aangehouden op basis van verdenking van zeeroof. De raadsman heeft aangevoerd dat de aan de aanhouding voorafgaande twee dagen durende detentie, in strijd was met art. 5 EVRM. Het Hof neemt dienaangaande het standpunt in dat die detentie van de verdachte voorafgaande aan zijn aanhouding een juridische basis vond in het internationale recht, in het bijzonder art. 105 UNCLOS en art. 3 en 7 SUA, en verwerpt op die grond het verweer. Keijzer merkt ten aanzien van deze beslissing in zijn noot onder het arrest het volgende, met weglating van noten, op:
‘’Art. 5 eerste lid EVRM bepaalt dat vrijheidsbeneming slechts mag geschieden in accordance with a procedure prescribed by law. De door het Hof genoemde verdragsbepalingen, in het arrest in vertaling weergegeven, houden zo’n procedure niet in. Bovendien heeft het EHRM, in de zaak Medvedyev tegen Frankrijk, eveneens betrekking hebbende op vrijheidsbeneming op zee, de term a procedure prescribed by law in art. 5 EVRM aldus uitgelegd dat deze refers essentially to national law, en daarnevens, voor zover van toepassing, ook naar internationaal recht. De Nederlandse wet schrijft voor dat strafvordering alleen plaats heeft op de wijze bij de wet voorzien (art. 1 Sv). In preliminaire detentie vóór aanhouding voorziet onze wet niet. Om deze redenen meen ik dat het Hof de verwerping van het verweer ontoereikend heeft gemotiveerd. Verdedigbaar lijkt me echter, dat reeds de insluiting op 19 november in de Temporary Holding Facility kan worden aangemerkt als aanhouding in geval van ontdekking op heterdaad als voorzien bij art. 53 jo. art. 539h Sv. Bij die opvatting was van preliminaire detentie vóór aanhouding geen sprake, en had het verweer op die grond kunnen worden verworpen.’’
23. Inzake de beginfase van het optreden en daarmee inzake een mogelijke overgang van (militair) optreden op basis van internationaal recht naar optreden op basis van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering verwijs ik voorts naar enkele passages uit het verslag van een algemeen overleg in de Tweede Kamer:
(p.43) “De heer Van Dam (PvdA): Ik heb een vraag naar aanleiding van de opmerking van de minister over de verdenking van piraterij. Zowel het
Zeerechtverdrag als de VN-resoluties bieden de mogelijkheid om in te grijpen bij verdenking van piraterij, bijvoorbeeld om doorzoeking van een schip uit te voeren. Is dit een bevoegdheid die valt onder de Defensiekant van de operatie of komt daarbij ook de Justitiekant kijken? Wie is aan zet op het moment dat er een schip wordt gesignaleerd dat wordt verdacht van piraterijactiviteiten?
Minister Hirsch Ballin: Dat ligt eraan wat wij in dit verband precies moeten verstaan onder «verdenking». Ik sluit niet uit dat dit woord in internationale statements iets breder wordt gebruikt dan als wij het hebben over een verdenking in de zin van het Wetboek van Strafvordering. Op grond van artikel 110 is er een right of visit voor marineschepen, dat een zeker verlengstuk heeft gekregen op grond van de resolutie van de Veiligheidsraad dat meer preventief is in verband met de beveiliging van de internationale zeevaart. Dan is de commandant verantwoordelijk. Op het moment dat het gaat om verdenking van het plegen, inclusief voorbereidingshandelingen, van een strafbaar feit, is er ook een verdachte in de zin van het Wetboek van Strafrecht. Dan is de commandant, de hulpofficier van justitie, bevoegd om te beslissen en staat het onder gezag van het Openbaar Ministerie, dat daartoe op afstand bereikbaar is.
De heer Van Dam (PvdA): Daarover ging mijn vraag in eerste termijn. Op welk moment kan actie worden ondernomen? Wat moet iemand ervoor doen dat er kan worden ingegrepen? Het varen met een bootje met wapens aan boord lijkt mij onvoldoende grond voor ingrijpen, maar ik weet niet precies hoe dat zit. Wat is het moment waarop er militair kan worden ingegrepen?
Minister Hirsch Ballin: De preventieve taak kan worden vervuld op basis van de veiligheidsresolutie in aanvulling op artikel 110 van UNCLOS. «When a ship is engaged to piracy», dan is er een bevoegdheid voor de marine om op te treden in het kader van een soort ordetaak op zee. Blijkt vervolgens dat er wapens zijn of dat er bewegingen worden gemaakt in de richting van een koopvaardijschip, dan zou de drempel kunnen worden overschreden naar de strafvorderlijke verdenking. Dan gaat het gezag over naar de lijn die van de hulpofficier van justitie naar het Openbaar Ministerie loopt.
(p. 49) Minister Hirsch Ballin: Hoe dan ook: op het moment dat zich een situatie voordoet die je moet zien als verdenking van misdrijven of van voorbereidingshandelingen daarvoor, heb je te maken met een strafvorderlijke context. Dan is de commandant op grond van artikel 539a van het Wetboek van Strafvordering bevoegd om zelfstandig op te treden als de officier van justitie niet bereikbaar is. In zijn instructie staat echter dat hij dan zo snel mogelijk contact dient op te nemen met de officier van justitie, die daartoe uiteraard ook dag en nacht bereikbaar is. Dat is de manier waarop de bevoegdheden liggen en waarop wij de afspraken hebben gemaakt. Het is de verantwoordelijkheid van de daartoe opgeleide en ervaren commandant om te beoordelen of hij optreedt in de defensiecontext van resoluties en artikel 110 UNCLOS dan wel minstens behoefte heeft aan ruggespraak met de officier van justitie, omdat zich een strafvorderlijke context aandient.”
24. De geciteerde passage illustreert dat er onderscheid moet worden gemaakt tussen preventief optreden of optreden ter handhaving van de internationale rechtsorde op basis van het internationale recht en strafvorderlijk optreden buiten het arrondissement op basis van het Wetboek van Strafvordering. Daartussen kan sprake zijn van een sfeerovergang die kennelijk volgens de steller van het middel messcherp moet zijn. Dat de grens niet steeds even scherp is, blijkt reeds uit het voorbehoud in bovenstaand citaat dat bij het woord ‘verdenking’ in internationale statements wordt gemaakt. Het ontbreken van scherp onderscheid signaleert het Hof eveneens in rechtsoverweging 8.4 waar in navolging van de Rechtbank wordt opgemerkt: “Deze voor een groot deel gedwongen, keuze resulteert hierin dat een opsporingsonderzoek niet steeds de vrije loop heeft maar - zeker in de beginfase - als het ware moet meanderen langs en om defensiebelangen heen.”
25. De conclusie van het Hof (r.o. 8.4.1.3.3.) is dat de Nederlandse marine en het openbaar ministerie op basis van verdragsrechtelijke en strafvorderlijke bepalingen gerechtigd waren verdachte aan te houden, zijn vrijheid te ontnemen en tevens goederen in beslag te nemen. Het Hof gaat daar in r.o. 8.4.2.3. verder op in en legt de cesuur tussen het optreden op basis van enerzijds art. 105 UNCLOS alsmede art. 7 SUA en art. 539a e.v. Sv anderzijds op een formeel moment: de beslissing van de officier van justitie van 3 april 2011. Het Hof acht het in overeenstemming met art. 7 SUA dat de vrijheidsbeneming er op was gericht om de aanwezigheid van de verdachten te verzekeren gedurende de tijd die nodig was voor het instellen van strafvervolging.
26. Anders dan de steller van het middel zie ik niet in dat uit het gebruik van de woorden ‘arresteren’ in art. 105 UNCLOS en ‘in hechtenis nemen’ in art. 7 SUA zonder meer volgt dat (bij toepassing van die bepalingen) er al sprake is van een begin van vervolging (naar Nederlands recht), dat de artikelen 539a e.v. Sv dan van toepassing zijn en dat (dus) art. 105 UNCLOS en art. 7 SUA geen (voldoende) grondslag bieden voor arrestatie en in hechtenis nemen. Dat art. 105 UNCLOS en art. 7 SUA geen bevoegdheden voor de commandanten van oorlogsschepen zouden bevatten omdat het om bevoegdheden van de Staat gaat en anders dan in art. 110 UNCLOS niet uitdrukkelijk gesproken wordt over oorlogsschepen is in het licht van de rechtspraak van het Europees Hof in de zaak Hassan en anderen tegen Frankrijk niet houdbaar. Waarom verschil in terminologie tussen enerzijds staten en anderzijds oorlogsschepen zou uitsluiten dat art. 105 UNCLOS en art. 7 SUA in het kader van de militaire missie de bevoegdheid verschaffen tot arresteren en het in hechtenis nemen zie ik niet En dat sluit ook niet aan bij de zaak Hassan en anderen.
27. Het strafvorderlijke optreden neemt naar ik het Hof begrijp een aanvang met de beslissing van de officier van justitie tot aanhouding buiten heterdaad op 3 april 2011. Dat de beslissing van de officier van justitie op 4 april 2011 wordt meegedeeld is niet bepalend. Het gaat de steller van het middel kennelijk om de status van verdachte in de periode tussen het aan boord brengen of nemen op 2 april 2011 en de beslissing van de officier van justitie op 3 april 2011. Het Hof overweegt in het arrest (p. 44) dat de status van de verdachte in die periode niet geheel duidelijk was. Die niet geheel duidelijke status roept de vraag op of er jegens verdachte tussen 2 en 3 april al sprake was van een redelijk vermoeden van schuld en of hij was gearresteerd dan wel in hechtenis was genomen. Verschilde de status van verdachte bijvoorbeeld wezenlijk van de Iraanse kapitein ( [betrokkene 1] ) van de Feddah? Daaromtrent heeft het Hof niets vastgesteld. Het Hof heeft alleen overwogen dat de militaire actie waarbij personen aan boord zijn genomen tot de aanhoudingsbeslissing van de officier van justitie, kan worden gebaseerd op het internationale recht. Gelet op hetgeen het Hof over de status van verdachte heeft overwogen is dat niet onjuist of onbegrijpelijk. Bovendien heeft het Hof hierbij nog in aanmerking genomen dat er geen sprake is van zodanige overschrijding van wettelijke termijnen (gedoeld wordt daarbij kennelijk primair op de termijnen van de art. 539k en 539l Sv na de aanhouding) dat daaraan enige consequentie zou moeten worden verbonden (p. 28 van het arrest). Ik zou menen dat het voortvarend optredend ook wel in aanmerking mag worden genomen voor wat betreft de aanhouding van verdachte. Na de actie op 2 april 2011 was op 3 april al sprake van een beslissing tot aanhouding. Ondanks de hectiek van de uitgevoerde militaire actie is er vervolgens niet stil gezeten.
28. In het arrest Hassan e.a. is het ontbreken van procedureregels inzake de vrijheidsbeneming voorafgaande aan de voorgeleiding aan de (Franse) rechter gedurende een periode van 18 dagen de reden om schending van het eerste lid van art. 5 EVRM aan te nemen. In de benadering door het Haagse Hof is die periode van niet gereglementeerde vrijheidsbeneming voorafgaande aan de toepasselijkheid van het Nederlands recht in de onderhavige zaak ongeveer een dag. Dat is een aanzienlijk verschil met de zaak Hassan e.a. Ook wanneer Nederlands recht van toepassing is gelden overigens tijdens zo’n eerste dag nog nauwelijks procedureregels voor de vrijheidsbeneming. Het Hof had de ‘aanhouding’ op 2 april 2011, zoals Keijzer in zijn noot suggereert, ook kunnen baseren op art. 539h, eerste lid, Sv dat een basis biedt voor aanhouding door een ieder bij ontdekking op heterdaad van een misdrijf. Ik zie niet in dat de verdachte in het kader van de vrijheidsbeneming een substantiële procedurele waarborg heeft gemist nu hij is aangehouden op basis van internationaal recht en niet op basis van art. 539h, eerste lid, Sv.
29. Voor zover in het middel nog besloten ligt dat bij de vrijheidsbeneming tot het moment waarop de rechter-commissaris bewaring beval (6 april 2011) de wettelijke termijnen niet in acht zijn genomen wijs ik nog op het volgende. De aangehouden verdachte mag niet langer dan zes uur voor verhoor worden opgehouden, met dien verstande dat de tijd tussen middernacht en negen uur voormiddags niet wordt meegerekend (art. 539k lid 1 Sv). Hoe dan ook is deze termijn overschreden. Het tweede lid onder b van artikel 539k Sv laat die overschrijding echter toe indien er sprake is van verdenking van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en ter zake daarvan een bevel tot voorlopige hechtenis tegen hem kan worden verleend. Het behoeft geen toelichting dat aan beide eisen zonder meer is voldaan.
30. Voor alle duidelijkheid wijs ik er nog op dat de schriftuur weliswaar stelt dat ook de inbeslagneming niet, zoals het Hof wel van oordeel is, kan worden gebaseerd op internationaal recht, maar daaraan inhoudelijk verder nauwelijks aandacht besteedt. Ik zie geen aanleiding op het juiste oordeel van het Hof inzake de internationale basis van inbeslagneming nader in te gaan.
31. Opmerking verdient nog dat het tweede middel niet bestrijdt dat er geen grond bestaat om aan eventuele onregelmatigheden voorafgaande aan de aanhouding door de officier van justitie een rechtsgevolg te verbinden, omdat geen sprake is van schending van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv. Van een dergelijk vormverzuim is inderdaad voorafgaande aan de aanhoudingsbeslissing van de officier van justitie geen sprake en bovendien was het niet uitgesloten eventuele gebreken aan de orde te stellen bij de rechter-commissaris.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.