‘Mr. Big’-methode en verwante undercoveroperaties
De methode
16. De steller van het middel wijst erop dat de in de onderhavige zaak gehanteerde opsporingsmethode sterke gelijkenis vertoont met de zogenoemde ‘Mr. Big’-methode. Deze gelijkenis vormt de aanleiding stil te staan bij wat deze opsporingsmethode inhoudt.
17. De ‘Mr. Big’-methode vindt haar oorsprong in Canada en is daar in de jaren negentig van de vorige eeuw ontwikkeld om verdachten van ernstige strafbare feiten te bewegen tot het bekennen van die feiten. Evenals bij andere undercoveroperaties, opereert de politie daarbij in het verborgene. De methode wordt afgestemd op de specifieke omstandigheden van het geval, maar heeft gemeenschappelijke kenmerken. De persoon op wie de operatie is gericht, wordt door de politie bewust misleid. Meer specifiek gaat het om een befriending operation, waarbij de handelwijze van de undercoverambtenaar is gericht op het kweken van een vertrouwensband met de persoon die voorwerp van onderzoek is in de hoop dat deze zijn veronderstelde geheim met de betrokkene deelt. De operatie staat in het teken van het bevorderen van een bekentenis. Dat gebeurt in een context van een (gefingeerde) criminele organisatie, waarin de verdachte wordt betrokken. Als de verdachte enige tijd onderdeel uitmaakt van de organisatie, krijgt hij de kans steeds meer opdrachten uit te voeren en daarmee geld te verdienen, terwijl de vertrouwensband met de leden van de organisatie wordt verstevigd en de verdachte steeds meer gunsten worden verleend en / of hij steeds meer geld kan verdienen. Op een zeker moment wordt hem een bepaald aanbod gedaan, zoals het bemachtigen van een vaste positie in de organisatie, het kunnen meedoen aan lucratieve strafbare feiten of het verkrijgen van een hogere plek in de hiërarchie van de organisatie. Daartoe is wel vereist dat de verdachte schoon schip maakt tegenover de leider, ‘Mr. Big’, door eerder begane strafbare feiten te bekennen.
18. Onderdeel van de methode is dat de op de verdachte uitgeoefende druk om te bekennen wordt opgevoerd. Die druk kan plaatsvinden door herhaaldelijk in te praten op de verdachte, maar ook door te dreigen dat de verdachte of iemand anders (een ‘vriend’ van de verdachte) uit de organisatie wordt gezet als de verdachte niet bekent. Daarbij wordt veelal aan de verdachte kenbaar gemaakt dat de organisatie de verdachte na een bekentenis kan helpen een gunstige afwikkeling van de strafzaak te bevorderen, bijvoorbeeld door hem een alibi te verschaffen of doordat iemand de schuld op zich neemt voor de verdachte, terwijl de organisatie niets voor de verdachte kan doen in geval de verdachte niet bekent. Ook wordt wel opgemerkt dan wel gesuggereerd dat de organisatie geweld niet schuwt. De verdachte wordt dan bijvoorbeeld geconfronteerd met een lid van de organisatie dat betrokken is geweest bij een vechtpartij of met een mishandeling van het ene lid door het andere lid van de organisatie. Daarbij verdient opmerking dat het gaat om gefingeerde strafbare feiten in het kader van de rond de verdachte opgezette ‘criminele organisatie’. Die schijn wordt alleen gewekt tegenover de verdachte.
19. Een operatie duurt vaak minimaal enkele maanden. In die periode vinden verschillende ontmoetingen tussen de verdachte en de undercoveragenten plaats. Er wordt veel geïnvesteerd in het ontwikkelen van een ‘vertrouwensband’ met de verdachte. Ik geef daarvan twee illustraties. In een Canadese zaak had de verdachte na een lang traject bekend de moorden waarvan hij werd verdacht te hebben begaan. Nadat hij was aangehouden mocht hij één persoon bellen. Hij belde de undercoveragent met wie hij gedurende het ‘Mr. Big’-traject “bevriend” was geraakt. In een Nederlandse zaak vond de bekentenis plaats terwijl zowel de verdachte als de vertrouwenspersoon daarbij huilden.
20. In het bovenstaande is de ‘Mr. Big’-methode beschreven. Variaties op de hiervoor geschetste werkwijze zijn uiteraard mogelijk en komen in de praktijk voor. De meest in het oog springende variatie in de onderhavige zaak is dat van een leider (‘Mr. Big’) als zodanig geen sprake lijkt te zijn. De methoden om te bevorderen dat de verdachte een (bekennende) verklaring aflegt, lijken evenwel gemodelleerd naar de ‘Mr. Big’- methode.
Toepassing van de "Mr. Big"-methode in Nederland
21. Ik vond in de gepubliceerde rechtspraak enkele zaken waarin in Nederland de ‘Mr. Big’-methode is toegepast, althans waarin opsporingsmethoden zijn gehanteerd die lijken te zijn geïnspireerd op deze methode. De wijze waarop hieraan invulling werd gegeven, verschilt daarbij van zaak tot zaak.
22. De voorliggende zaak vormt de eerste zaak waarin toepassing is gegeven aan een opsporingsmethode die lijkt te zijn geïnspireerd op de Canadese ‘Mr. Big’-methode. Ook in de zaak waarin mijn voormalig ambtgenoot Machielse in oktober 2018 concludeerde werd een dergelijke methode gehanteerd. Die zaak is in de media bekend komen te staan als “de zaak Kaatsheuvel”. De verdachte in deze zaak is door het hof veroordeeld wegens moord. Uit de vaststellingen van hof in zijn arrest blijkt dat de verdachte reeds langere tijd werd verdacht van de moord op zijn vrouw. Besloten is tot het stelselmatig inwinnen van informatie op de voet van art. 126j Sv in het kader van een WOD-traject (‘werken onder dekmantel’). Undercoveragenten hebben contact gezocht met de verdachte, actief in zijn leven geïnterfereerd en hem aangeboden tegen betaling ICT-werkzaamheden voor hen te verrichten. In het kader van deze contacten zijn tussentijdse betalingen aan de verdachte gedaan. Na verloop van tijd werden de gesprekken tussen de verdachte en de opsporingsambtenaren van meer persoonlijke aard en kwam ter sprake dat de verdachte werd verdacht van de moord op zijn vrouw en dat hij daarvoor in voorlopige hechtenis had gezeten. De verdachte ontkende eerst enkele malen iets met de dood van zijn vrouw te maken te hebben gehad, maar ruim een jaar na het eerste contact met de opsporingsambtenaren en in het kader van een bezoek aan ‘Mr. Big’ bekende hij de moord en vertelde hij hoe deze had plaatsgevonden. Deze bekentenis vond eerst plaats ten overstaan van de opsporingsambtenaar die voor de verdachte kennelijk als een vertrouwenspersoon fungeerde. Beiden huilden daarbij. De bekentenis heeft hij naderhand nog enkele malen herhaald, onder meer ten overstaan van ‘Mr. Big’. In zowel deze zaak als in de voorliggende zaak is het gebruik van de opsporingsmethode gegrond op art. 126j Sv, welke bepaling de bevoegdheid tot het stelselmatig inwinnen van informatie bevat. Ook recente berichtgeving in de media duidt op de inzet van de ‘Mr. Big’-methode in een andere, zogenoemde ‘cold case’-zaak.
23. Te wijzen valt voorts op een zaak waarin het hof Arnhem arrest heeft gewezen. De verdachte in deze zaak stond terecht voor (onder meer) moord. Ook in deze zaak was de schijn van een criminele organisatie gewekt, waarbij de opsporingsambtenaar ‘ [betrokkene 4] ’ als undercoveragent een sleutelrol vervulde en waarbij daarnaast verschillende opsporingsambtenaren waren ingezet als entourage. De verdediging had in deze zaak betoogd dat de inzet van ‘ [betrokkene 4] ’ kon worden gezien als stelselmatige informatie-inwinning, maar dat de overige onder dekmantel werkende opsporingsambtenaren geen informanten als bedoeld in art. 126j Sv waren, maar acteurs in een door het openbaar ministerie geregisseerd toneelstuk en dat er een “schijnwerkelijkheid van een criminele organisatie om verdachte heen [was] gebouwd”. Daarnaast was volgens de verdediging sprake van strijd met het nemo tenetur-beginsel. Het hof verwierp dit verweer. Het beschouwde de overige opsporingsambtenaren als ‘figuranten’ die zich niet bezighielden met het stelselmatig informatie inwinnen over de verdachte. Ten aanzien van de verklaringsvrijheid overwoog het hof:
“(…)
In het algemeen geldt voor de stelselmatige inwinning van informatie dat het stellen van vragen door de niet als opsporingsambtenaar kenbare informant aan een verdachte niet plaatsvindt in de door artikel 29 Wetboek van Strafvordering bedoelde verhoorsituatie. De cautie, strekkende tot bescherming tegen de druk en verwarring die in de verhoorsituatie van de als zodanig kenbare opsporingsambtenaar of rechter uitgaat, is dan ook niet van toepassing. Daarmee moet worden aangenomen dat door de enkele misleiding de verklaringsvrijheid niet geacht wordt onder druk te staan, noch dat sprake kan zijn van een schending van het nemo tenetur beginsel. De verdediging heeft geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waarom dat in dit geval anders zou zijn.”
24. In een wat oudere zaak was gebruikgemaakt van informanten die zich voordeden als personen die zich bezighielden met het smokkelen van sigaretten en / of de handel in verdovende middelen, om aldus met een geloofwaardige dekmantel contact met de verdachte te kunnen leggen en onderhouden. In eerste aanleg werd het verweer gevoerd dat sprake was van “onrechtmatige stelselmatige informatie-inwinning”. De rechtbank oordeelde evenwel dat het handelen van de informanten binnen de grenzen van art. 126j Sv viel. In de zaak werd hoger beroep en beroep in cassatie ingesteld, maar de gehanteerde opsporingsmethode kwam bij het hof en de Hoge Raad niet meer aan de orde.
Kritiek op de ‘Mr. Big’-methode
25. De gehanteerde opsporingsmethode in de zaak Kaatsheuvel en in de onderhavige zaak is in de media herhaaldelijk aan de orde gekomen, in welk verband wordt gesproken van de ‘Mr. Big’-methode. In de literatuur is het gebruik van de ‘Mr. Big’-methode bekritiseerd. Daarbij kunnen enkele punten van kritiek worden onderscheiden.
26. In de eerste plaats is de vraag opgeworpen of art. 126j Sv een voldoende wettelijke basis vormt voor een zodanig verstrekkende en veelomvattende methode als ‘Mr. Big’. Deze vraag betreft de legaliteit van de methode, in het licht van art. 1 Sv.
27. Het tweede aspect betreft de betrouwbaarheid van de met behulp van van deze methode afgelegde verklaringen. In dat verband wordt betoogd dat de omstandigheden die in een ‘Mr. Big’-traject worden gecreëerd het risico op valse bekentenissen ten opzichte van een reguliere verhoorsituatie sterk vergroten. Daarbij merk ik op dat het risico van valse bekentenissen in geval druk wordt uitgeoefend op de verdachte met het oog op het verkrijgen van een bekennende verklaring, mede in het licht van spraakmakende herzieningszaken in de eerste tien jaren van deze eeuw, nauwelijks toelichting behoeft. De omstandigheden in een ‘Mr. Big’-traject zijn zodanig, dat dit risico als sterk verhoogd wordt gezien. De verdachten die in een ‘Mr. Big’-traject worden betrokken, leiden veelal een geïsoleerd bestaan en beschikken bovendien over weinig geld en kampen soms met verslavingsproblematiek. De angst om die nieuw verworven levensstijl te verliezen, wordt in dit traject bewust gebruikt om een bekentenis te bevorderen. De financiële en sociale verlokkingen van de criminele organisatie en het aanbod om een oplossing te vinden in het kader van de strafzaak fungeren als prikkels om te bekennen. In het ‘Mr. Big’-traject wordt aldus toegewerkt naar een situatie waarin het voor de verdachte duidelijk is dat er voor hem veel te winnen valt als hij bekent. Het risico dat verdachten onder dergelijke omstandigheden valse bekentenissen afleggen is groot. Zij kunnen zich bovendien verplicht voelen iets terug te doen voor de organisatie die hun al zoveel gunsten heeft verleend en zoveel perspectief biedt dan wel zich geïntimideerd weten doordat de ‘organisatie’ geweld niet lijkt te schuwen.
28. Ten derde is de kritiek geuit dat de verklaringsvrijheid van de verdachte wordt aangetast. De verklaringsvrijheid vormt onderdeel van het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM en komt op nationaal niveau onder meer in art. 29 Sv tot uitdrukking. Deze bepaling strekt er primair toe de verdachte in het strafproces als autonome procespartij te erkennen en in dat kader hem de vrijheid te geven zijn procespositie te bepalen door al dan niet een verklaring af te leggen. De in art. 29, tweede lid, Sv verankerde cautieplicht vormt een waarborg dat de verdachte aan die verklaringsvrijheid invulling kan geven. Ook in de rechtspraak van het EHRM over art. 6 EVRM komt de verklaringsvrijheid zwaar gewicht toe, in welk verband het Hof de vrijheid van de verdachte zijn procesopstelling te kiezen rekent tot ‘the heart of the notion of a fair procedure’.
29. De ‘Mr. Big’-methode strekt er daarentegen juist toe de verdachte te bewegen een verklaring af te leggen en wel een bekennende verklaring. Daarmee roept de methode het risico in het leven dat aan het recht van de verdachte zijn procespositie te bepalen tekort wordt gedaan. De methode vindt veelal toepassing ten aanzien van verdachten die ervoor hebben gekozen te zwijgen. In dat perspectief bezien, fungeert de methode als een breekijzer. De vraag rijst of de verdachte daarmee niet op ontoelaatbare wijze wordt beperkt in het bepalen van zijn procespositie.
30. Het derde punt van kritiek betreft daarmee het risico dat strafvorderlijke waarborgen, in het bijzonder het zwijgrecht en het recht op effectieve rechtsbijstand, worden omzeild. Het voorafgaande heeft overigens ook betekenis voor de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaring: als de verdachte denkt met vrienden te spreken (en ‘wapenfeiten’ met hen uit te wisselen) zou er een reële kans bestaan dat hij verklaringen aflegt die niet waarheidsgetrouw zijn. Knigge merkt in dit verband op dat het respect voor partijautonomie hier hand in hand gaat met het voorkomen van ontoelaatbare druk en daarmee van het voorkomen van onbetrouwbare bekentenissen.