ECLI:NL:PHR:2026:477
Parket bij de Hoge Raad
- Uitspraak
- 12 mei 2026
- Zaaknummer
- 24/00555
- Rechtsgebied
- Strafrecht
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Verstekverlening en toepassing art. 416 lid 2 Sv. Aanwezigheidsrecht verdachte. De A-G gaat a.d.h.v. art. 8 Richtlijn (EU) 2016/343 en rechtspraak van het EHRM en HvJ in op de in het middel opgeworpen vraag of het hof in het licht van art. 6 lid 1 EVRM in een geval als het onderhavige waarin de dagvaarding (rechtsgeldig) is uitgereikt “Aan een ander […], die belooft de brief onmiddellijk aan geadresseerde te geven” ondubbelzinnig moet vaststellen dat de verdachte daadwerkelijk weet had van de zitting. Volgens de AG kan (ook) bij een dergelijke (rechtsgeldige) betekening – behoudens duidelijke aanwijzingen voor het tegendeel – worden gezegd dat de overheidsinstantie de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen bij de kennisgeving aan de verdachte en dat als de verdachte noch zijn raadsman op de terechtzitting is verschenen kan worden uitgegaan van het vermoeden van vrijwillige afstand van aanwezigheidsrecht. Dat in zodanig geval niet daadwerkelijk vaststaat dat de verdachte weet heeft van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep maakt dat volgens de A-G niet anders, nu het Europees recht een dergelijke eis niet stelt en de uitreiking aan een ander op het BRP-adres van de verdachte bovendien voor eigen risico van de verdachte komt. In de onderhavige zaak is ’s hofs impliciete oordeel dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht niet onbegrijpelijk. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
Uitspraak
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.