ECLI:NL:PHR:2026:590
Parket bij de Hoge Raad
- Uitspraak
- 16 juni 2026
- Zaaknummer
- 26/00980
- Rechtsgebied
- Strafrecht
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Prejudiciële vragen over extraterritoriale rechtsmachtsbepaling van art. 4 aanhef en onder d Sr. Heeft Nederland op grond van deze bepaling rechtsmacht over het in het buitenland valselijk opmaken van een IND-formulier (art. 225 lid 1 Sr) t.b.v. een nareisprocedure? De A-G leidt uit de wetsgeschiedenis af dat pas sprake is van het plegen van valsheid in geschrift ‘tegen een Nederlandse overheidsinstelling’ a.b.i. in art. 4 aanhef en onder d Sr wanneer sprake is van een specifieke schending van gewichtige algemene nationale rechtsbelangen. Uit de wetsgeschiedenis komt volgens de A-G naar voren dat onder dergelijke gewichtige belangen die bescherming genieten onder art. 4 aanhef en onder d Sr moeten worden verstaan nationale belangen van economische aard. De A-G concludeert gelet hierop dat Nederland op grond van art. 4 aanhef en onder d Sr geen rechtsmacht heeft over het in deze zaak ten laste gelegde valselijk invullen van een IND-formulier voor zover dit is gepleegd in het buitenland. De A-G merkt vervolgens op dat Nederland op grond van het territorialiteitsbeginsel (art. 2 Sr) wél rechtsmacht zou kunnen hebben over het gebruik maken van een dergelijk vals ingevuld IND-formulier bij een aanvraag tot gezinshereniging (i.d.z.v. art. 225 lid 2 Sr).
Uitspraak
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.