Nummer 24/03675
Zitting 12 mei 2026
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 25 september 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (parketnr. 21-004164-23) wegens 1. ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod’ veroordeeld tot 20 dagen taakstraf, subsidiair 10 dagen hechtenis, en wegens 2. ‘voorwerpen binnen een inrichting, een instelling of een afdeling daarvan waarop de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging en ter beschikking gestelden dan wel de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen van toepassing is, brengen waarvan het bezit binnen die inrichting, instelling of afdeling verboden is’ veroordeeld tot 2 weken hechtenis. Het hof heeft daarnaast de straf voor het door de rechtbank bewezen verklaarde ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod’ bepaald op 60 uren taakstraf, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M. Kuipers, advocaat in Arnhem, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel behelst de klacht dat het hof niet in voldoende mate de redenen heeft opgegeven die hebben geleid tot oplegging van een vrijheidsbenemende straf, althans de oplegging en de hoogte van de vrijheidsbenemende straf onbegrijpelijk en onvoldoende duidelijk heeft gemotiveerd. De steller van het middel voert aan dat de oplegging van de hechtenis verbazing wekt. De wijze waarop de justitiële documentatie strafverzwarend wordt gebruikt zou verbazing wekken nu de verdediging heeft aangevoerd dat de enige documentatie ziet op de Wegenverkeerswet en niet op de Opiumwet. De strafmotivering zou in het bijzonder duidelijk dienen te zijn in gevallen waar de strafoplegging zowel qua strafmaat als grotendeels ook qua strafmodaliteit afwijkt van hetgeen de verdediging gemotiveerd heeft bepleit. De door het hof gebezigde motivering zou niet voldoen aan de motiveringsvoorschriften van art. 359, tweede, vijfde en zesde lid, Sv.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 11 september 2024, houdt onder meer het volgende in:
‘Verdachte verklaart als volgt:
Ik woon bij mijn moeder en broer. Ik werk voor een uitzendbureau. Ik ben bijna elke dag werkzaam in de zorg. Ik heb voldoende inkomsten. Ik wil niet vertellen wat ik verdien. Ik heb nog wel een studieschuld en wat openstaande boetes.
(…)
De raadsman voert als aanvulling op zijn pleitnota aan:
(…)
Bij een bewezenverklaring wordt verzocht aan te sluiten bij de oriëntatiepunten. Behoudens een strafbeschikking voor een Wegenverkeerswet-feit heeft verdachte een blanco strafblad. Na de onderhavige feiten heeft verdachte ook geen politie- en justitiecontacten meer gehad. Hij heeft zijn leven gebeterd. Verdachte richt zich nu op het werken in de zorg en dat doet hij met veel liefde. Dit zou ook moeten leiden tot matiging van de op te leggen taakstraf.’
5. Het bestreden arrest houdt als strafmotivering het volgende in: