1 Inleiding
1.1
Op 17 maart 2022 is de aanvrager van deze herziening door het gerechtshof ’sHertogenbosch voor het plegen van drie moorden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 jaren. Daarnaast heeft het hof gelast dat de aanvrager ter beschikking wordt gesteld en bevolen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Verder heeft het hof beslist op vorderingen van de benadeelde partijen en daarbij passende schadevergoedingsmaatregelen opgelegd. Deze veroordeling (onder parketnummer 20001723-20) is sinds 17 oktober 2023 onherroepelijk. Op die dag heeft de Hoge Raad het tegen de uitspraak van het hof ingestelde cassatieberoep verworpen. Wel heeft de Hoge Raad wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM de door het hof opgelegde gevangenisstraf met twee maanden verminderd.
1.2
B.L.M. Ficq, advocaat in Amsterdam, (hierna aangeduid als “de verdediging”) heeft namens de aanvrager bij schriftuur van 18 maart 2026 een verzoek ingediend tot herziening van het arrest van 17 maart 2022. Op 21 augustus 2026, kort voor de conclusiedatum, heeft de verdediging nog stukken aan het herzieningsverzoek toegevoegd.
1.3
In de schriftuur onderscheidt de verdediging drie gronden voor herziening (‘nova’) als bedoeld in artikel 457 lid 1 sub c Sv.
De eerste grond betreft het gegeven dat het rapport van de deskundigen [deskundige 1] , psychiater, en [deskundige 2] , GZ-psycholoog, (hierna ook: ‘rapport 3’), dat mede ten grondslag lag aan de veroordeling, na het onherroepelijk worden van de uitspraak van het hof, door het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (hierna ook: CTG) – in de woorden van de verdediging – “kwalitatief als onvoldoende [is] beoordeeld”. Aan de rapporteurs is een berisping opgelegd. Doordat het Openbaar Ministerie en het Hof zich volgens de verdediging “sterk [hebben] laten beïnvloeden” door zowel de inhoud van het rapport als de nadere uitlatingen van de betreffende deskundigen ter zitting, heeft het “gediskwalificeerde” rapport “een bepalende en doorslaggevende rol gespeeld bij de vraag naar de toepassing van art. 39 Sr”. “Zonder het rapport 3 zou de kans reëel zijn geweest (…) dat de conclusies van de rapporten 1 en 2 [A-G: met de strekking “volledig ontoerekeningsvatbaar”] zouden hebben geleid tot toepassing van art. 39 Sr en zou [de aanvrager] zijn ontslagen van alle rechtsvervolging.”
De tweede grond is een nieuw (aanvullend) deskundigenrapport. Na de uitspraak van het CTG heeft [deskundige 3] , psychiater en hoogleraar Psychiatrie aan het Universitair Medisch Centrum Groningen, een (aanvullende) rapportage opgemaakt over de geestelijke gezondheid van de aanvrager ten tijde van de gepleegde feiten. Het rapport heeft een strekking die overeenkomt met het rapport van het Pieter Baan Centrum (PBC; rapport 1) waarover de rechtbank beschikte) en het in de fase van het hoger beroep op verzoek van de verdediging opgemaakte deskundigenrapport (rapport 2). In de herzieningsaanvraag wordt gesteld dat indien het hof dit rapport van [deskundige 3] zou hebben gekend en deze deskundige aanvullend zou hebben gehoord, “hoogstwaarschijnlijk” tot een ander oordeel over de toerekenbaarheid van de aanvrager zou zijn gekomen.
De derde grond betreft een recent beschikbaar gekomen “niet gelakte” afsluitbrief van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna ook: IGJ), gericht aan de GGZ-instelling Mondriaan. Uit deze ongecensureerde brief zou blijken dat de GGZinstelling de psychotische verschijnselen van de aanvrager zou hebben onderschat, welke vaststelling van waarde zou zijn bij de beantwoording van de vraag of en in welke mate de voorgeschreven medicatie, dexamfetamine, een ‘trigger’ kan zijn geweest voor de psychose bij aanvrager ten tijde van het plegen van de delicten. Volgens de verdediging zou het hof “naar aanleiding van deze afsluitbrief naar alle waarschijnlijkheid hebben bevolen tot nader onderzoek, met name met betrekking tot de vaststellingen dat de behandelaren van de GGZinstelling achteraf hebben aangegeven dat ze zich mogelijk hebben laten misleiden door de ontkenning door [aanvrager] dat hij psychotisch was. Dit, in combinatie met de richtlijn die aanbeveelt om deze medicatie te staken als er sprake is van psychotische symptomen, is van betekenis: deze medicatie (dexamfetamine) jaagt psychoses immers aan. (…) Het staken van de medicatie vond echter pas plaats na de door [aanvrager] gepleegde drie delicten,” aldus de verdediging.
1.4
Voor een goed begrip van de aan de herzieningsaanvraag ten grondslag gelegde gronden schets ik hierna eerst het verloop van de zaak (randnummer 2). Na een beschrijving van het voor herziening geldende juridisch kader (randnummer 3) worden de voorgestelde gronden voor herziening besproken en beoordeeld (randnummers 4, 5 en 6).
1.5
Ik maak er nu reeds melding van dat deze conclusie strekt tot afwijzing van de herzieningsaanvraag.