1 Procesgang
De zitting van 18 maart 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op deze zitting, in aanwezigheid van mr. E. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N.M. Delsing, als waarnemer voor mr. R. Malewicz, beiden advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Tussenuitspraak van 1 april 2026
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek heropend en gelijktijdig geschorst voor onbepaalde tijd om het antwoord van de Poolse autoriteiten op de door het Internationaal Rechtshulp Centrum (hierna: IRC) geformuleerde vraag van 26 februari 2026 af te wachten en het IRC in de gelegenheid te stellen de onder 7.2 van de tussenuitspraak geformuleerde aanvullende vraag te stellen aan de Poolse autoriteiten.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen met 30 dagen verlengd op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW, onder gelijktijdige verlenging van de
– geschorste – overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting van 29 april 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet, in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N.M. Delsing, als waarnemer voor mr. R. Malewicz.
Tussenuitspraak van 13 mei 2026
In de tussenuitspraak van 13 mei 2026 heeft de rechtbank een individueel gevaar van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon vastgesteld wegens de detentieomstandigheden in de detentie-instelling in Lódz als de overlevering zou worden toegestaan. De rechtbank heeft op grond van artikel 11, tweede lid, OLW de beslissing over de overlevering aangehouden omdat er een mogelijkheid bestaat dat binnen een redelijke termijn bij wijziging van de omstandigheden het vastgestelde reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling alsnog kan worden weggenomen.
De rechtbank heeft de beslistermijn op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW met 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de -geschorste - gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting van 16 juni 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet, in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N.M. Delsing, als waarnemer voor mr. R. Malewicz.