1 Beoordeling
Hoorrecht
Het is vereist dat de overgeleverde persoon feitelijk de mogelijkheid heeft gehad om al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek tot aanvullende toestemming kenbaar te maken (het zogenoemde hoorrecht), zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 oktober 2011.
Uit het proces-verbaal van het verhoor door de rechter van het Gerechtshof van Gyula – Team Penitentiaire zaken van 12 maart 2026 blijkt dat de overgeleverde persoon is gehoord over het verzoek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de overgeleverde persoon voldoende de mogelijkheid gehad om zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek tot aanvullende toestemming kenbaar te maken.
Artikel 12 OLW
De rechtbank stelt vast dat aanvullende toestemming is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in hoger beroep van het Gerechtshof van Gyula van 25 april 2024, met kenmerk nr. 4.Bf.44/2024/11. De overgeleverde persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
Uit het EAB blijkt dat de beslissing op 2 december 2025 aan de overgeleverde persoon is betekend en hij daarbij uitdrukkelijk is geïnformeerd over zijn recht om binnen één maand na de betekening een verzoek tot herziening in te dienen. De overgeleverde persoon heeft geen verzoek tot herziening ingediend binnen een maand na betekening. Dit betekent dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder c, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
Artikel 2, eerste lid, en artikel 7, zesde lid, OLW
De rechtbank stelt vast dat de overgeleverde persoon in hoger beroep is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 50 dagen. Deze straf voldoet niet aan het vereiste van artikel 2, eerste lid, OLW dat een EAB slechts kan worden uitgevaardigd voor opgelegde straffen van ten minste vier maanden.
Op grond van artikel 27, vierde lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ moet de toestemming worden verleend ‘indien het strafbaar feit waarvoor zij wordt verzocht op zichzelf de verplichting tot overleving overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit meebrengt.’ Volgens de Memorie van Toelichting gelden voor het verlenen van de aanvullende toestemming dezelfde criteria als voor de overlevering zelf (Kamerstukken II 2020/21, 35535, nr. 7, p. 21). Omdat artikel 7, zesde lid, OLW sinds 2021 accessoire overlevering mogelijk maakt, is het verlenen van toestemming voor accessoire feiten mogelijk (Tekst & Commentaar Internationaal Strafrecht, art. 14 OLW, aant. 4 onder d). Accessoire feiten kunnen tot overlevering leiden samen met ten minste één feit waarvoor de overlevering toelaatbaar is. Gelet op de context van de onderhavige procedure - waarbij de betrokkene al is overgeleverd, zodat er ten minste één feit was waarvoor zijn overlevering toelaatbaar was - begrijpt de rechtbank artikel 14, derde lid, OLW zo, dat zij ook bevoegd is om toestemming te geven voor een naar het recht van de uitvaardigende lidstaat strafbaar feit waarvoor een gevangenisstraf van minder dan vier maanden is opgelegd, ook als dat feit het enige feit is waarop het verzoek ziet.
De rechtbank maakt van deze mogelijkheid gebruik en overweegt hierbij dat de betrokkene al is overgeleverd en dat door het verlenen van toestemming alle aan hem opgelegde straffen achter elkaar ten uitvoer kunnen worden gelegd. Dit is niet alleen in het belang van een effectieve rechtspleging en om straffeloosheid zoveel mogelijk te voorkomen, maar ook in het belang van de overgeleverde persoon zelf.
Het feit is overigens ook strafbaar naar Nederlands recht en levert op:
mishandeling.
Conclusie
Het verzoek bevat de gegevens als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ. De voorhanden zijnde stukken zijn toereikend om - met volledige eerbiediging van de rechten van verdediging van de overgeleverde persoon - een beslissing te nemen.
Het verzoek betreft een feit ten aanzien waarvan krachtens de OLW overlevering had kunnen worden toegestaan.
De rechtbank zal daarom het verzoek toewijzen.