1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 31 augustus 2022 te Mariahout, gemeente Laarbeek, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Sonseweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, bij het afslaan naar links, teneinde de Broek in/op te rijden, een hem op dezelfde weg tegemoetkomende bestuurder van een motorfiets niet heeft laten voorgaan, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten (complexe) polsbreuken linker- en rechterpols en/of een bekkenbreuk (rechts) en/of (uitgebreid) knieletsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 31 augustus 2022 te Mariahout, gemeente Laarbeek als bestuurder van een personenauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Sonseweg, bij het afslaan naar links, teneinde de Broek in/op te rijden te rijden, een hem op dezelfde weg tegemoetkomende bestuurder van een motorfiets niet heeft laten voorgaan, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan
goederen is toegebracht.
2.
hij op of omstreeks 31 augustus 2022 te Mariahout, gemeente Laarbeek, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 330 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat er geen sprake is van de voor feit 1 primair vereiste schuld. Verdachte heeft het slachtoffer eenvoudigweg niet gezien toen verdachte afsloeg naar links. Het alcoholpercentage in zijn bloed heeft geen rol gespeeld bij het ongeval. Enkel het subsidiair tenlastegelegde kan bewezen worden verklaard.
Beoordeling door de militaire kamer
De bewijsmiddelen
Op 31 augustus 2022 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden op de Sonseweg, buiten de bebouwde kom van Mariahout, gemeente Laarbeek. Hierbij waren een personenauto betrokken, bestuurd door verdachte, en een motorfiets, bestuurd door [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ). Op basis van de aangetroffen schade aan de motorfiets is het waarschijnlijk dat de bestuurder van de motorfiets de plaats van het verkeersincident naderde over de Sonseweg, komende uit de richting van Lieshout. Ter hoogte van de kruising met de Broek reed de motorfiets rechtdoor in de richting van Son. Verdachte verleende de voor hem tegemoetkomende motorfiets geen voorrang, waardoor de personenauto op de kruising Sonseweg/Broek met de rechtervoorzijde in botsing is gekomen met de voorzijde van de motorfiets.
Op 31 augustus 2022 om 23:48 uur is bij verdachte een ademanalyseonderzoek als bedoeld in artikel 8, lid 2, onder, a van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) afgenomen. Het resultaat hiervan bedroeg 330 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht.
[slachtoffer] heeft letsel opgelopen als gevolg van het ongeluk, te weten complexe breuken aan beide polsen, een bekkenbreuk rechts, en uitgebreid letsel aan de rechterknie. Hiervoor heeft hij meerdere operaties moeten ondergaan en moeten revalideren door middel van fysiotherapie. [slachtoffer] heeft hierdoor ongeveer een half jaar niet kunnen werken of studeren. Zijn rechterknie was in november 2023 nog niet volledig hersteld en de verwachting is dat dit waarschijnlijk ook niet (meer) volledig zal gebeuren.
[slachtoffer] heeft verklaard dat een auto hem tegemoet reed op de weg van het ongeval. Toen hij bij een kruising arriveerde, sloeg de hem tegemoetkomende auto ineens linksaf, waardoor hij geen tijd meer had om te remmen en tegen de auto aanbotste.
Verdachte heeft verklaard dat hij, voorafgaand aan het besturen van de auto alcohol heeft gedronken. Hij wilde afslaan naar links, een smalle weg in, en heeft dat ook gedaan. Hierbij nam verdachte de binnenbocht. Hij keek links de bocht in en de motorfiets botste tegen de rechtervoorkant van zijn auto.
De beoordeling door de militaire kamer
De mate van schuld
De rechtbank dient eerst de vraag te beantwoorden of de verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld in de zin van dit artikel komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval (zie het arrest van de Hoge Raad van 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:470). Het gedrag van de verdachte wordt in die beoordeling afgemeten aan dat wat van een verkeersdeelnemer in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Dit toetsingskader brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende is voor de bewezenverklaring van schuld. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994.
Van iedere bestuurder mag worden verwacht dat deze anticipeert op komende verkeerssituaties en voortdurend (geestelijk en lichamelijk) in staat is zijn voertuig onder controle te houden om veilig aan het verkeer deel te nemen en om de benodigde verkeershandelingen te verrichten. Deze zorgplicht geldt dus ook voor verdachte.
Het rijden onder invloed van alcohol
Door middel van het ademanalyseonderzoek is objectief vastgesteld dat het alcoholgehalte van de adem van verdachte 330 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bedroeg. Dit resultaat wordt niet verklaard door de hoeveelheid alcohol die verdachte zegt te hebben genuttigd. De verklaring van getuige Van Wezel ter terechtzitting doet daar niet aan af.
De militaire kamer stelt op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte onder invloed was van een grotere hoeveelheid alcohol dan wettelijk is toegestaan. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van alcoholhoudende drank de rijvaardigheid, waaronder het beoordelen van verkeerssituaties, negatief beïnvloedt.
Het afslaan naar links
De verdediging heeft betoogd dat verdachte [slachtoffer] over het hoofd heeft gezien omdat er auto’s voor verdachte reden.
De militaire kamer overweegt hieromtrent als volgt. Het procesdossier bevat geen aanknopingspunten om vast te stellen dat de auto’s die voor verdachte reden zó dicht voor hem reden dat deze hem het zicht op [slachtoffer] ontnamen. Echter, zelfs als dit het geval zou zijn geweest en verdachte minder goed overzicht had, dan zou dit tot extra voorzichtigheid bij verdachte hebben moeten leiden vanwege de onoverzichtelijke verkeerssituatie. Het zou verdachte niet hebben ontslagen van de verplichting om [slachtoffer] vrijelijk doorgang te verlenen.
Verder stelt de militaire kamer vast dat verdachte bekend was met de verkeerssituatie ter plaatse omdat hij daar vaak rijdt en hij wist dat de Sonseweg en de Broek, de weg die hij in wilde slaan, smal zijn. Verdachte had de kruising dus voorzichtig moeten benaderen om tegemoetkomend verkeer en verkeer vanuit de Broek niet in gevaar te brengen, te meer omdat het donker was en er geen straatverlichting aanwezig was. Kennelijk heeft verdachte geen bijzondere oplettendheid betracht, want [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte ineens linksaf sloeg, waardoor hij niet meer kon remmen, en verdachte heeft verklaard dat hij hierbij de binnenbocht nam richting de Broek. De militaire kamer heeft geen reden om aan verklaring van [slachtoffer] hieromtrent te twijfelen, nu in de verkeersongevallenanalyse geen melding wordt gemaakt van remsporen door [slachtoffer] motor.
Naar het oordeel van de militaire kamer heeft verdachte zich niet gedragen zoals van een verkeersdeelnemer mag worden verwacht. Door plotseling af te slaan zonder zich er terdege van te vergewissen dat de weg vrij was en hij geen andere verkeersdeelnemers hinderde, heeft hij [slachtoffer] geen voorrang verleend.
Nu verdachte zich meermaals heeft laten ontvallen dat [slachtoffer] op zijn motorfiets te hard of zonder verlichting reed, overweegt de militaire kamer ten overvloede als volgt. Uit de verkeersongevallenanalyse blijkt niet hoe hard beide voertuigen hebben gereden. Hieraan kunnen dus geen conclusies worden verbonden. Ofschoon niet kon worden vastgesteld of de verlichting aan de voorzijde van de motorfiets werkte, was de verlichtingsknop op het stuur ingeschakeld. De militaire kamer heeft dan ook geen reden om aan te nemen dat de verlichting van de motorfiets niet brandde.
Het lichamelijk letsel van het slachtoffer
De militaire kamer is van oordeel dat het letsel dat door de gedragingen van de verdachte bij het slachtoffer is veroorzaakt, te weten complexe breuken aan beide polsen, een bekkenbreuk rechts, en uitgebreid letsel aan de rechterknie, gelet op de aard en de gevolgen daarvan zoals uit de bewijsmiddelen naar voren komt als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Immers, het slachtoffer heeft meerdere operaties moeten ondergaan voor deze breuken en lange tijd moeten revalideren. Hierdoor heeft hij gedurende ongeveer een half jaar zijn studie moeten stopzetten en zich ziek moeten melden op zijn werk. De rechterknie van het slachtoffer is nog altijd niet helemaal hersteld en volledig herstel is onwaarschijnlijk. Dit betekent dat zwaar lichamelijk letsel kan worden bewezen verklaard.
Conclusie
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte als bestuurder van een personenauto op de openbare weg een verkeersongeval heeft veroorzaakt doordat hij bij het ineens afslaan naar links (en het nemen van de binnenbocht richting de Broek), geen voorrang heeft verleend aan [slachtoffer] , terwijl verdachte onder invloed was van een grotere hoeveelheid alcohol dan wettelijk toegestaan, te weten 330 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht. Deze omstandigheden leiden volgens de militaire kamer tot het oordeel dat de gedragingen van verdachte zijn aan te merken als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend. Als gevolg van het verkeersongeval heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen.
De militaire kamer komt dan ook tot bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde.
De militaire kamer is van oordeel dat de gedragingen van verdachte niet toereikend zijn voor het oordeel dat sprake is geweest van roekeloos of zeer onvoorzichtig / onoplettend rijgedrag. Verder blijkt op geen enkele manier uit het procesdossier dat verdachte zijn medewerking heeft geweigerd aan adem- of bloedonderzoek. De militaire kamer zal verdachte vrijspreken van deze onderdelen van de tenlastelegging.
Eendaadse samenloop
De rechtbank neemt voor wat de bewezenverklaarde feiten 1 primair en 2 eendaadse samenloop aan. De in de feiten 1 primair en 2 bewezen verklaarde feitelijkheden, die zien op het onder veroorzaken van een verkeersongeval en het rijden invloed van alcohol, vallen onder de strafbepalingen van artikel 6 en 8 van de WVW en leveren een in zodanige mate samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen in grote mate overeenkomt, namelijk de bescherming van de verkeersveiligheid.