ECLI:NL:RBGEL:2025:3165
Rechtbank Gelderland
- Uitspraak
- 23 april 2025
- Zaaknummer
- 05.181217.24
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie
Man veroordeeld voor doodslag op zijn partner. Vrijspraak voor moord, wegens ontbreken voorbedachten rade. Vrijspraak voor bedreiging wegens ontbreken van bewijs. Sterk verminderd toerekeningsvatbaar. Opgelegd wordt een gevangenisstraf van 6 jaren en een tbs-maatregel met dwangverpleging.
Uitspraak
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
feit 1
hij op of omstreeks 2 juni 2024 te [plaats] , [slachtoffer 1] opzettelijk en al dan niet
met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met twee messen, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen (met kracht) in de borst en/of de rug, althans in het
(boven)lichaam van die [slachtoffer 1] te steken en/of te snijden;
feit 2
hij op of omstreeks 2 juni 2024 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen: "dat hij, verdachte, die [slachtoffer 2] dood zou maken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 2 juni 2024 werd het slachtoffer, [slachtoffer 1] , in de voortuin van de [adres 1] te [plaats] aangetroffen. Onder een boompje naast het slachtoffer lagen twee messen die onder het bloed zaten. De ter plaatse gekomen verbalisanten zagen dat het slachtoffer een steekwond had in de borst ter hoogte van de hartstreek en in de rug tussen de schouderbladen.
Na overbrenging naar het ziekenhuis is het slachtoffer aldaar overleden. Op grond van de sectiebevindingen is vastgesteld dat het intreden van de dood van het slachtoffer volledig wordt verklaard door scherprandig perforerend geweld aan de romp, te weten één steekletsel aan de rug links, met perforatie van belangrijke structuren namelijk de linkerborstholte en een groot bloedvat (de longslagader). De overige 6 steekletsels hebben geen rol van betekenis gespeeld bij het overlijden.
Verdachte heeft erkend [slachtoffer 1] te hebben neergestoken.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de (impliciet primair) ten laste gelegde moord onder feit 1. De officier van justitie heeft gesteld dat voor de onder feit 1 ten laste gelegde doodslag voldoende wettig en overtuigend bewijs bestaat. Verdachte dient vanwege gebrek aan bewijs te worden vrijgesproken van feit 2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder feit 1 ten laste gelegde moord, nu de voorbedachten rade niet kan worden bewezen. De raadsman heeft zich gerefereerd ten aanzien van de ten laste gelegde doodslag. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken, nu hiervoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is.
Beoordeling door de rechtbank
feit 1
Op 2 juni 2024 belde [slachtoffer 1] (de rechtbank: hieronder aangeduid als slachtoffer) met de triagist van de huisartsenpost. Dit telefoongesprek is opgenomen en uitgewerkt.
Triagist: DagSlachtoffer: Mijn partner is op dit moment erg psychotisch en ik weet niet zo goed wat ik
moet doen.
Triagist: Nee dat snap ik, wat vervelend voor u beiden. U belt daarvoor nu naar de
spoedlijn, want het loopt nu uit de hand of?
Slachtoffer: Ja ja ja(...)Slachtoffer: (praat met iemand in de woning) Doe maar rustig. (...) Kom maar, rustig,
rustig doen oke? Rustig doen ja, er is niks aan de hand, ik ga even de huisarts
bellen voor hulp
(...)Slachtoffer: (tegen andere man): Nee, nee niet doen...De andere man: AGH (klinkt als een klank als men kracht zet) ... Je hoofd eraf, kom NU, op
de... op de...'
Slachtoffer: (tegen de andere man, noemt hem [verdachte]) NIET DOEN, NEE, NEE,
NEE [verdachte]
Je hoort de andere man schreeuwen of hij kracht zet (klinkt heel boos)
Slachtoffer (tegen de triagist): Oh mevrouw helpt u me
Slachtoffer: (tegen [verdachte]): NEE NEE NEE [verdachte] NIET DOEN, OH NIET DOEN, OH
[verdachte] OH NEE HELP ME DAN, NEE ik doe niets
(...)Triagist: Meneer ga maar naar buiten..., denk maar even aan uw eigen veiligheid.Slachtoffer: (tegen [verdachte] , met een heel hoge stem en klinkt heel angstig): OH [verdachte]
NIET DOEN!!
Triagist: Meneer? Oh jezus, gaat helemaal niet goed.(Verbinding is verbroken)
Verbalisant [verbalisant 1] heeft de camerabeelden van het perceel [adres 1] uitgekeken. Op de camerabeelden zag de verbalisant dat het slachtoffer en verdachte hun voortuin uit kwamen rennen. Verdachte had twee grote messen in zijn handen en maakte met zijn rechterhand meerdere hakkende bewegingen in de richting van het slachtoffer. Verdachte leek het slachtoffer hierbij minimaal driemaal in zijn rug te raken. Het slachtoffer rende de voortuin van perceel [adres 1] in, gevolgd door verdachte. Op de camerabeelden van perceel [adres 2] heeft de verbalisant gezien dat het slachtoffer op zijn rug op de grond viel met verdachte boven op hem. Op een gegeven moment stonden de mannen op. Op de rug en borst van het slachtoffer was een grote rode vlek zichtbaar.
Verdachte heeft verklaard dat hij jarenlang een relatie met het slachtoffer heeft gehad. Op 2 juni 2024 stond hij met het slachtoffer in de keuken van diens woning in [plaats] . Het slachtoffer pakte zijn hand vast. Het slachtoffer vroeg wat er nu toch was gebeurd en zei dat het niet meer leuk was. Er knapte iets in het hoofd van verdachte. Verdachte heeft het slachtoffer vastgepakt en hem geduwd. Verdacht heeft ter terechtzitting verklaard dat hij dacht dat het slachtoffer op dat moment de huisarts aan de telefoon had. De telefoon viel. Verdachte pakte een keukenmes. Het slachtoffer wilde de deur uitrennen, verdachte hield hem vast en rende met het slachtoffer mee naar buiten. Verdachte heeft verklaard dat hij het slachtoffer buiten een aantal keren met het mes heeft gestoken.
Gelet op de verklaring van verdachte dat hij dacht dat het slachtoffer in de keuken de huisarts aan de telefoon had en het feit dat in het opgenomen telefoongesprek tussen het slachtoffer en de triagist het slachtoffer het heeft over zijn partner en de persoon die bij hem aanwezig is ‘ [verdachte] ’ noemt, concludeert de rechtbank dat verdachte degene is die op dat moment bij het slachtoffer aanwezig was.
Opzet
Op grond van de bewijsmiddelen is voor de rechtbank vast komen te staan dat verdachte het slachtoffer opzettelijk van het leven heeft beroofd door hem dodelijk in de rug te steken. Uit het telefoongesprek tussen de triagist en het slachtoffer, dat enkele momenten voor de steekpartij plaatsvond, komt naar voren dat verdachte tegen het slachtoffer zei: “(...) Je hoofd eraf (…)”. Deze uitroep van verdachte en zijn handelen direct daarna - door met een mes hakkende bewegingen te maken terwijl hij achter het slachtoffer aanrende en hem daarbij in de rug te raken - dienen naar hun uiterlijke verschijningvorm te worden aangemerkt als gericht op het doden van het slachtoffer. De rechtbank is van oordeel dat het opzet van verdachte hier ten volle op was gericht.
Voorbedachten rade
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of sprake is geweest van voorbedachten rade, en dus of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord.
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van voorbedachten rade vast moet komen te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De verdachte dient de gelegenheid te hebben gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en hij heeft zich daarvan rekenschap kunnen geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachten rade gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachten rade pleiten.
Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde op de terechtzitting kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte een plan had gemaakt om het slachtoffer van het leven te beroven. Concrete aanwijzingen daarvoor zijn er niet. De rechtbank overweegt dat de uiting van verdachte tegen [slachtoffer 2] , dat hij [slachtoffer 1] zou gaan doodsteken, onvoldoende concreet is om een conclusie van voorbedachten rade te rechtvaardigen.
Daar komt bij dat verdachte niet met messen op zak naar de woning van het slachtoffer is gegaan. Hij wordt die woning binnengeleid door het slachtoffer. Op enig moment heeft het slachtoffer de triagist aan de telefoon om zijn zorgen te uiten over het gedrag van verdachte. Gedurende dit gesprek is dan de uitroep van verdachte ‘Je hoofd eraf!’, te horen. Verdachte heeft verklaard dat hij toen een mes heeft gepakt. Daarom is de rechtbank van oordeel dat uit het handelen noch de verklaring van verdachte kan worden afgeleid dat er voorafgaand aan de uitvoeringshandelingen een moment is geweest van kalm beraad en rustig overleg. De rechtbank overweegt dat uit de verklaring van verdachte eerder blijkt dat het insteken op het slachtoffer voortkwam uit een plotselinge gemoedsopwelling, omdat er naar zijn zeggen iets in zijn hoofd knapte.
De rechtbank is van oordeel dat van voorbedachten rade geen sprake is en zal verdachte vrijspreken van de ten laste gelegde moord. De rechtbank acht de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen.
Vrijspraak
feit 2
Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat een verdachte het tenlastegelegde heeft begaan niet worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, moet een enkele getuigenverklaring steun vinden in een ander objectief bewijsmiddel. Verschillende verklaringen die uit dezelfde bron afkomstig zijn, leveren geen afzonderlijke bewijsmiddelen op.
De bedreiging die verdachte zou hebben geuit naar [slachtoffer 2] door te zeggen dat hij haar zou doodsteken, blijkt slechts uit de aangifte en de getuigenverklaring van [slachtoffer 2] en vindt onvoldoende verdere ondersteuning in het dossier. Verdachte heeft consistent ontkend dat hij [slachtoffer 2] heeft bedreigd. De rechtbank is van oordeel dat daarom sprake is van onvoldoende wettig bewijs. De rechtbank zal verdachte van dit feit vrijspreken.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.