1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot aanpassing omschrijving feiten in de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 27 juli 2024 te Zoelen, gemeente Buren ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk van het leven te beroven,
voornoemde [aangever] over enige afstand heeft achtervolgd en/of die [aangever] van achteren, met kracht bij de arm(en) heeft vastgepakt en/of een hand op de mond van die [aangever] heeft gedrukt en/of gedrukt heeft gehouden en/of
die [aangever] met kracht bij de keel heeft gegrepen en/of heeft vastgepakt en/of die keel met kracht heeft dichtgeknepen of dichtgedrukt en/of
die [aangever] naar de grond heeft gewerkt en/of
- toen die [aangever] op haar rug op de grond lag - zijn knie en/of (onder)been op de borst van die [aangever] heeft gedrukt en/of daarbij de keel van die [aangever] met kracht dichtgeknepen of dichtgedrukt heeft gehouden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 juli 2024 te Zoelen, gemeente Buren ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, voornoemde [aangever] over enige afstand heeft achtervolgd en/of die [aangever] van achteren, met kracht bij de arm(en) heeft vastgepakt en/of een hand op de mond van die [aangever] heeft gedrukt en/of gedrukt heeft gehouden en/of
die [aangever] met kracht bij de keel heeft gegrepen en/of heeft vastgepakt en/of die keel met kracht heeft dichtgeknepen of dichtgedrukt en/of
die [aangever] naar de grond heeft gewerkt en/of
- toen die [aangever] op haar rug op de grond lag - zijn knie en/of (onder)been op de borst van die [aangever] heeft gedrukt en/of daarbij de keel van die [aangever] met kracht dichtgeknepen of dichtgedrukt
heeft gehouden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat door het handelen van verdachte een aanmerkelijke kans bestond op de dood van het slachtoffer. Deze aanmerkelijke kans is af te leiden uit het soort letsel dat bij aangeefster is vastgesteld in combinatie met het door verdachte toegepaste geweld. Uit de letselrapportage volgt dat, gelet op de aard van het geconstateerde letsel, het handelen dat dit letsel heeft veroorzaakt zodanig was dat dit tot de dood had kunnen leiden. Daarnaast heeft verdachte, door aangeefster op die manier met zoveel kracht en intensiteit aan te vallen, deze aanmerkelijke kans op de dood bewust aanvaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde feit omdat de opzet niet bewezen kan worden, ook niet in de vorm van voorwaardelijke opzet, nu er te weinig informatie is over de aard, de duur en de intensiteit van de geweldshandelingen. De raadsman heeft daarnaast bepleit dat ook het subsidiair tenlastegelegde feit niet bewezen kan worden, omdat ook ten aanzien van dit feit de opzet ontbreekt nu er verschillende contra-indicaties in de weg staan aan het bewezen verklaren van dit feit.
Beoordeling door de rechtbank
Verklaring aangeefster [aangever]
Op 29 juli 2024 heeft aangeefster [aangever] aangifte gedaan. Zij heeft verklaard dat zij op 27 juli 2024 rond 19:00 uur aan het wandelen was in het Soelense Bos op een pad langs een akker. Rond 19:30 uur liep zij op een modderig pad en achter haar liep een persoon. Zij wilde die persoon laten passeren, maar merkte in plaats daarvan dat zij van achteren aan beide armen werd vastgepakt. [aangever] draaide zich om en zag dat dat de persoon die haar vastpakte een man was met een bruin getinte huid, donkere ogen, een snor, kort zwart haar en een zwarte trainingsjas. [aangever] voelde dat zij naar het midden van het pad werd getrokken en begon hard te schreeuwen. Zij bleef schreeuwen en voelde dat haar mond werd dicht gehouden. Tegelijkertijd probeerde de man haar vast te houden en naar de grond te werken. [aangever] worstelde en zij voelde dat het lukte om de man met twee vingers in zijn ogen te prikken. Zij voelde vervolgens dat de hand van de man richting haar keel bewoog en dat hij haar vastpakte bij haar keel. Zij voelde dat hij dit met een enorme kracht deed, dat hij dit lang volhield en ook voelde zij hoe de man druk uitoefende met zijn duimen in haar hals, rechtsonder haar kaak. Zij had het gevoel dat de man wist wat hij deed. Zij heeft nog kunnen spartelen, maar voelde al snel dat haar kracht afnam.
Vervolgens voelde zij een heftige druk tegen haar borstbeen, en omdat haar kracht was afgenomen, zakte zij naar de grond en voelde dat ze in de struiken en de modder terechtkwam.
[aangever] zag toen dat de persoon een man was. De man hing boven haar en drukte met zijn ene hand haar strottenhoofd dicht en met zijn knie drukte hij op haar borst, zodat zij op de grond gefixeerd lag. Hij gebruikte grof geweld om haar op de grond te houden.
De man bleef druk uitoefenen op haar borst en zij werd licht in haar hoofd. Ze kreeg geen adem meer en snakte naar zuurstof. Haar zicht veranderde en zij zag een blauwe lucht, maar realiseerde zich dat dit helemaal niet mogelijk was, omdat zij zich in een dichtgegroeid bos bevond. [aangever] geeft aan dat zij mogelijk buiten bewustzijn is geweest. Op enig moment voelde zij de druk op haar keel verminderen en leek het voor haar alsof de man overeind kwam. [aangever] kon daarna overeind komen en is strompelend weggerend. Ze zag dat ze onder het bloed zat en zag dat de man opstond en wegrende. Zij weet niet meer wie van hen eerder opstond. [aangever] is vervolgens richting de akker gerend waar een man aan het werk was op een trekker. Deze man (getuige [getuige] ) heeft haar geholpen en gaf aan dat hij gezien had dat een man in een zwart trainingspak van het merk Under Armour achter haar aan was gelopen. Aangeefster heeft haar man gebeld en haar man heeft haar thuisgebracht. Thuis heeft aangeefster 112 gebeld en een signalement van de man afgegeven.
Verklaring getuige [getuige]
Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij op 27 juli 2024 rond 19:45 uur aan het werk was op een weiland ter hoogte van de Beemdsestraat te Zoelen. Terwijl hij op het land reed, reed hij twee personen tegemoet. Eén van de twee personen was (zo bleek later) aangeefster [aangever] en ongeveer 30 meter achter haar liep een man die volgens [getuige] boos keek. Getuige beschrijft de man als een dunne man, ongeveer 1,75 meter lang, iets getint en hij droeg een zwart en/of grijs Under Armour trainingspak. Zijn haar was kort en hij had iets in zijn handen, maar getuige weet niet wat dat precies was. Ongeveer een kwartier later zag getuige de vrouw uit het bos komen rennen, terwijl zij bloed op haar gezicht had. Ook had de vrouw bloedvlekken aan beide kanten van haar keel zitten en deze bloedvlekken hadden de grootte van duimafdrukken. Getuige heeft dit gezien terwijl [aangever] vijf meter van zijn trekker vandaan stond. Hij heeft haar geholpen door tissues tegen het bloeden aan te bieden en hoorde de vrouw zeggen dat zij was aangerand en dat de man haar op enig moment had losgelaten. Getuige heeft het incident zelf niet gezien.
Aanhouding verdachte
Verbalisanten krijgen op 27 juli 2024 rond 20:35 uur de opdracht om naar het adres van aangeefster [aangever] te rijden. Onderweg belt verbalisant [verbalisant 1] met aangeefster en geeft zij de verbalisant het signalement van de man die haar heeft aangevallen. Het signalement dat [aangever] geeft, komt overeen met het signalement dat zij later in haar aangifte heeft omschreven. Toen de verbalisanten op het Zoelensepad ter hoogte van nummer 33 reden, zagen zij een man die voldeed aan dit signalement. De man droeg een zwart trainingspak en hij had een tenger postuur. Verbalisanten hebben de man staande gehouden en zagen hierbij dat de man ook voldeed aan de rest van het signalement. Verbalisanten schatten dat hij 1,85 meter lang was en hij was ongeschoren. Het viel verbalisanten op dat de man, ondanks het warme en droge weer, verse modder op zowel zijn schoenen als broek had zitten. De man sprak gebrekkig Engels en verbalisanten zagen dat er vers bloed op zijn handpalm en op de binnenzijde van zijn vingers zat. De man transpireerde hevig en er zaten zweetdruppels op zijn hoofd. Verbalisanten hebben de man vervolgens aangehouden.
Forensisch bewijs
Er is DNA-onderzoek verricht aan de binnen- en bovenzijde van beide handen en aan alle vingernagels van verdachte. Uit dit onderzoek is gebleken dat op verschillende plekken op de handen van verdachte DNA-kenmerken zijn aangetroffen die overeenkomen met het DNA-profiel van [aangever] . De plekken op de handen van verdachte waar deze DNA-kenmerken zijn aangetroffen betreffen de binnenzijde van de linkerhand, de bovenzijde van de linkerhand, de bovenzijde van de rechterhand, de linker wijsvinger en de linker middelvinger. Er is een bewijskrachtberekening uitgevoerd ten aanzien van de bemonstering van de linker duim. Hieruit is gebleken dat er een DNA-hoofdprofiel van [aangever] is afgeleid waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard.
Letsel [aangever]
Op 30 juli 2024 heeft er forensisch onderzoek bij [aangever] plaatsgevonden dat vervolgens door de forensisch arts nader is beschreven. Bij [aangever] is het volgende letsel geconstateerd: bloedingen in het oogwit van beide ogen, bloeduitstortingen in het gelaat, de hals, op de borstkas en op de linker bovenarm, alsmede krasletsel ter hoogte van de linker mondhoek, puntbloedingen aan de bovenzijde van beide ogen, de linkerwang en de rechterzijde van de hals.
In de forensisch medische letselrapportage wordt vervolgens de ernst van het samendrukkend geweld op de hals vastgesteld. Het dichtknijpen van een keel is blijkens de rapportage een vorm van stomp botsend, samendrukkend geweld. Dit kan leiden tot het dichtdrukken van de halsvaten waardoor de hersenen minder zuurstof krijgen, waardoor een persoon bewusteloos kan raken en kan komen te overlijden. Een samendrukking van de halsslagaders gedurende één tot circa drie minuten kan leiden tot ademstilstand. Via prikkeling van het carotislichaampje kan er ook een hartritmestoornis optreden die tot overlijden aanleiding kan geven. Samendrukkend geweld in het hoofd- en halsgebied leidt verder tot verhoging van de druk in bloedvaten in het hoofd- en halsgebied doordat de bloed toe- en afvoer wordt belemmerd. Hierdoor kunnen bloedvaten stuk gaan en leiden tot bloedingen, zoals bijvoorbeeld bloedingen in het oogwit van een of beide ogen. Het ontstaan van puntbloedingen in het geval van samendrukkend geweld vergt enige kracht en tijd. De eerste voorwaarde is dat de halsader zowel links als rechts wordt dichtgedrukt (terwijl de halsslagader openblijft). De tweede voorwaarde is dat dit enige tijd aanhoudt, zodat de kleinste bloedvaten de tijd hebben om te overvullen en uiteindelijk te scheuren.
De deskundige concludeert dat het totale letselbeeld goed verklaard kan worden door een scenario van stomp botsend, samendrukkend geweld gericht op het hoofd- en halsgebied. Ten aanzien van de gevaarzetting van het geweld op de hals van het slachtoffer komt de deskundige tot de volgende conclusie. De aanwezigheid van puntbloedingen in combinatie met de overige letsels in het hoofd- en halsgebied (zoals aangetroffen bij [aangever] ) past bij een ernstige, levensbedreigende mate van samendrukkend geweld gericht op de hals.
Tussenconclusie: verdachte was de aanvaller
De rechtbank concludeert op grond van voornoemde bewijsmiddelen dat het verdachte was die op 27 juli 2024 aangeefster [aangever] heeft achtervolgd en van achteren bij haar armen heeft vastgepakt. Uit het forensisch bewijs kan worden geconcludeerd dat het DNA van [aangever] is aangetroffen op de binnenzijde van de handen van verdachte. Verdachte voldoet daarnaast aan het signalement dat zowel door [aangever] als door getuige [getuige] is gegeven, en tijdens de aanhouding van verdachte, die kort na het feit plaatsvond, troffen verbalisanten bloed aan op zijn handen en verse modder op zijn knieën. De verse modder past in de verklaring van [aangever] die heeft verklaard dat zij werd aangevallen op een modderig pad. Verdachte heeft eerst een hand op haar mond gedrukt, haar bij de keel gegrepen en met kracht haar keel dichtgeknepen. Daarna heeft verdachte aangeefster [aangever] naar de grond gewerkt en heeft hij haar daar enige tijd gehouden door met zijn knie en onderbeen op haar borstkas te drukken Terwijl hij dit deed, heeft hij haar keel met kracht dichtgeknepen.
Poging doodslag
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of voornoemd handelen van verdachte gekwalificeerd kan worden als een poging tot doodslag, dan wel als een poging tot zware mishandeling.
Om tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag te kunnen komen is onder meer vereist dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van [aangever] . De rechtbank ziet onvoldoende aanknopingspunten in het dossier om te kunnen vaststellen dat verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van [aangever] .
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [aangever] . Hiervan is kort gezegd sprake als er een aanmerkelijke kans aanwezig was dat de dood zou intreden en verdachte op dat moment welbewust die kans heeft aanvaard. Of dit zo is, is naar vaste jurisprudentie afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
De rechtbank overweegt dat uit de handeling van het dichtknijpen of dichtdrukken van de keel niet zonder meer de conclusie kan worden getrokken dat een aanmerkelijke kans op de dood bestond. Daarvoor is het nodig nadere vaststellingen te doen over de aard, intensiteit en duur van het uitgeoefende geweld.
Uit de verklaring van [aangever] volgt dat verdachte haar in een bosrijke omgeving van achteren heeft vastgepakt, haar mond heeft dichtgedrukt, haar met kracht naar de grond heeft gewerkt en vervolgens met grote kracht haar keel heeft dichtgedrukt, terwijl ook druk op haar borst werd uitgeoefend. [aangever] heeft hierover zeer concreet en indringend verklaard dat zij voelde dat verdachte “wist wat hij deed”, dat zij een duim voelde drukken bij haar kaak in de richting van de hals, dat zij de “enorme kracht” voelde waarmee haar keel werd dichtgedrukt en dat verdachte het dichtdrukken van haar keel “lang volhield”. Zij heeft verder verklaard dat haar kracht afnam, dat zij licht in haar hoofd werd, geen adem meer kreeg, naar zuurstof snakte, dat haar zicht veranderde alsof zij wegtrok en dat zij mogelijk buiten bewustzijn is geweest.
De rechtbank acht deze verklaring van belang voor de beoordeling van de aard, intensiteit en duur van het uitgeoefende geweld. [aangever] heeft concreet en nauwgezet beschreven wat zij tijdens het dichtdrukken van haar keel en het drukken op haar borst lichamelijk heeft ervaren. Haar beschrijving van de enorme kracht waarmee dat dichtdrukken plaatsvond, het vervolgens afnemen van haar eigen krachten, niet meer kunnen ademen, licht in het hoofd worden en het veranderen van haar zicht passen bij een situatie waarin de zuurstoftoevoer en/of bloedtoevoer naar de hersenen in ernstige mate werd belemmerd.
Die subjectieve waarnemingen van [aangever] vinden naar het oordeel van de rechtbank steun in het bij [aangever] geconstateerde letsel en de interpretatie daarvan door een deskundige. Daaruit volgt dat sprake was van bloedingen in het oogwit van beide ogen, bloeduitstortingen in het gelaat, de hals, de borstkas en de linker bovenarm, alsmede puntbloedingen aan de bovenzijde van beide ogen, de linkerwang en de rechterzijde van de hals.
De deskundige concludeert dat het totale letselbeeld goed verklaard kan worden door een scenario van stomp botsend, samendrukkend geweld gericht op het hoofd- en halsgebied. Daarbij is uitdrukkelijk overwogen dat het dichtknijpen van een keel een vorm is van samendrukkend geweld die kan leiden tot het dichtdrukken van de halsvaten, waardoor de hersenen minder zuurstof krijgen, een persoon bewusteloos kan raken en kan overlijden, en dat samendrukking van de halsslagaders gedurende één tot circa drie minuten al tot ademstilstand kan leiden, terwijl via prikkeling van het carotislichaampje ook een fatale hartritmestoornis kan ontstaan.
Van gewicht acht de rechtbank ook dat de deskundige, door het door [aangever] beschreven geweld te bezien in samenhang met het daadwerkelijk geconstateerde letsel, tot de conclusie komt dat de combinatie van bevindingen past bij een ernstige, levensbedreigende mate van samendrukkend geweld gericht op de hals in de vorm van strangulatie. Weliswaar is het uiteindelijk waarneembare letsel als licht letsel gecategoriseerd en was dat letsel op zichzelf niet levensbedreigend, dat neemt niet weg dat de deskundige het toegepaste geweld, in combinatie met het letselbeeld, als levensbedreigend duidt. De rechtbank leidt hieruit af dat niet slechts sprake was van enig geweld tegen de hals, maar van krachtig, intens en potentieel fataal samendrukkend geweld.
De rechtbank betrekt daarbij verder dat het geweld niet bestond uit een kortstondige greep of een enkel impulsief moment, maar uit een opeenvolging van handelingen die allen gericht leken op strangulatie: verdachte hield [aangever] eerst staande onder controle, drukte haar mond dicht, werkte haar vervolgens naar de grond, drukte haar keel met grote kracht dicht en hield die druk volgens [aangever] gedurende enige tijd vol, terwijl tevens druk op de borst werd uitgeoefend. [aangever] heeft verklaard dat zij mede door die druk naar de grond zakte en vervolgens geen adem meer kreeg. Voor zover in de letselrapportage wordt opgemerkt dat geen sprake is geweest van bewusteloosheid, volgt de rechtbank de letselrapportage niet. [aangever] heeft verklaard dat zij geen lucht meer kreeg en haar krachten voelde afnemen, dat zij licht werd in het hoofd en dat haar zicht veranderde (zij zag op enig moment een blauwe lucht terwijl zij in een dichtgegroeid bos lag). Zij heeft bovendien zelf verklaard dat zij niet weet of zij buiten bewustzijn is geweest. De rechtbank is van oordeel dat de vraag of [aangever] buiten bewustzijn is geweest niet eenduidig kan worden beantwoord, maar dat dit zeker mogelijk is.
Verdachte heeft – alles afwegend - een situatie in het leven geroepen waarin de kans dat het slachtoffer zou overlijden naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk was. Naar het oordeel van de rechtbank kan het onder deze omstandigheden niet anders zijn dan dat verdachte zich van die aanmerkelijke kans bewust is geweest. Het met grote kracht dichtdrukken van de keel van [aangever] en het blijven uitoefenen van die druk, terwijl [aangever] zich verweerde, haar krachten voelde afnemen, zij geen lucht meer kreeg en uiteindelijk bijna of mogelijk (kort) geheel buiten bewustzijn raakte, is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het veroorzaken van de dood, dat het behoudens contra-indicaties niet anders kan zijn dan dat verdachte die aanmerkelijke kans op de dood willens en wetens heeft aanvaard. Van dergelijke contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken.
Dat [aangever] de aanval heeft overleefd en dat het uiteindelijk vastgestelde letsel niet blijvend of zelfstandig levensbedreigend was, maakt dit oordeel niet anders. Voor een poging tot doodslag is immers niet vereist dat de dood daadwerkelijk intreedt of dat blijvend letsel ontstaat, maar dat het handelen van verdachte naar zijn aard en onder de concrete omstandigheden een aanmerkelijke kans op de dood in het leven riep en dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet op de dood van [aangever] heeft gehad. De rechtbank acht daarom poging tot doodslag bewezen.