ECLI:NL:RBGEL:2026:5218
Rechtbank Gelderland
- Uitspraak
- 23 juni 2026
- Zaaknummer
- 05.223831.25 en 05.114360.25 (tul)
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie
Verdachte heeft zijn (ex)partner, zijn moeder en stiefvader bedreigd, zijn (ex)partner gestalkt en hij heeft niet meegewerkt aan een ademonderzoek in het kader van de Wegenverkeerswet. De rechtbank legt een gevangenisstraf van 6 maanden op en een tbs-maatregel met voorwaarden. Daarnaast legt de rechtbank een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op.
Uitspraak
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 12 augustus 2025 te [woonplaats] , gemeente Voorst ten overstaan
van [hulpverlener] (ambulant hulpverlener voor [instelling] ), [aangever 1] heeft bedreigd met enig
misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft
verdachte ten overstaan van die [hulpverlener] dreigend de woorden geuit: "Als ik zaterdag
mijn kinderen niet zie dan snijd ik de keel van [aangever 1] door en maak ik
varkensvoer van haar", van welke bedreiging(en)/dreigende woorden voornoemde
[aangever 1] kennis heeft genomen;
2
hij op of omstreeks 8 augustus 2025 te [woonplaats] , gemeente Voorst
[aangever 2] en/of [aangever 3]
heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door die [aangever 2] en/of [aangever 3] dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak
jullie dood, ik voer de paarden aan de leeuwen en jullie krijgen drie dagen de tijd
om het huis te verlaten, dan zet ik een verkoopbord in de tuin" en/of door het
versturen van tekstberichten met de tekst "Ik ruim jullie 2 op" en/of "Kop der af",
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3
hij op of omstreeks 8 augustus 2025 te [woonplaats] , gemeente Apeldoorn, in elk geval
in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een
personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet
1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te
verlenen aan een ademonderzoek, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht
te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting
gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het
onderzoek gegeven aanwijzingen;
4
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 juni 2025 tot en met
18 augustus 2025 te Voorst, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig
opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten
die van [aangever 1] door:
- die [aangever 1] via WhatsApp veelvuldig berichten en/of foto’s en/of youtubelinkjes te
sturen (al dan niet met bedreigende en/of intimiderende inhoud) en/of
- meermalen de voicemail van die [aangever 1] in te spreken,
met het oogmerk die [aangever 1] (telkens) te dwingen iets te doen, niet te doen, te
dulden en/of vrees aan te jagen.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 vrijspraak bepleit wegens onvoldoende bewijs. Zij heeft aangevoerd dat aangeefster de gestelde bedreiging via een derde, [hulpverlener] , heeft vernomen, die hiervan ook melding bij de politie heeft gedaan. De informatie is daarom afkomstig uit dezelfde bron. Daarnaast biedt de verklaring van de getuige [getuige] onvoldoende steun, nu deze ziet op een andere uitlating dan de ten laste gelegde bedreiging. Voorts heeft de buurman, op wie de verklaring van [getuige] is gebaseerd, zelf geen verklaring afgelegd.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niemand getuige is geweest van het telefoongesprek. Nu onvoldoende bewijs voorhanden is, dient vrijspraak te volgen.
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 3 en 4 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1
Bewijsmiddelen
Aangeefster [aangever 1] heeft verklaard dat zij op 12 augustus 2025 van [hulpverlener] heeft gehoord dat verdachte heeft gezegd ‘als ik mijn kinderen zaterdag niet zie, dan snijd ik de keel van [aangever 1] door en maak ik varkensvoer van haar’.
[hulpverlener] , ambulant hulpverlener vanuit [instelling] , heeft op 12 augustus 2025 gebeld naar de politie. Hij heeft verklaard dat hij net bij verdachte op het adres [adres] in [woonplaats] was geweest en dat hij had medegedeeld dat hij zijn kinderen aanstaande zaterdag niet te zien zou krijgen. Verdachte heeft toen tegen hem gezegd ‘als ik mijn kinderen zaterdag niet krijg, maak ik [aangever 1] van kant.’ Verdachte heeft hem opgedragen deze boodschap aan aangeefster over te brengen.
Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij op 12 augustus 2025 van de buurman van verdachte heeft gehoord dat verdachte tegen hem had gezegd dat hij [aangever 1] ‘van kant zou maken’ indien hij zaterdag de kinderen niet zou krijgen.
Beoordeling
De rechtbank volgt het standpunt van de raadsvrouw dat de informatie uit dezelfde bron komt niet. De verklaring van aangeefster betreft weliswaar geen eigen waarneming, maar vindt op essentiële onderdelen steun in het proces-verbaal van bevindingen waarin is vastgelegd dat [hulpverlener] melding heeft gemaakt van een door verdachte geuite bedreiging jegens aangeefster. Daarnaast vindt deze verklaring steun in de verklaring van [getuige] . Hoewel aan laatstgenoemde verklaring, nu deze is gebaseerd op informatie van horen zeggen, in beginsel minder bewijskracht toekomt dan aan een verklaring uit eigen waarneming, kan zij wel dienen als ondersteuning van ander bewijsmateriaal. De rechtbank volgt de raadsvrouw ook niet in haar standpunt dat de verklaring van aangeefster ziet op een andere uitlating dan de ten laste gelegde bedreiging. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat zowel de verklaring van [hulpverlener] als die van [getuige] betrekking heeft op een op of omstreeks 12 augustus 2025 door verdachte geuite bedreiging jegens aangeefster. Dat de bedreiging op verschillende momenten op 12 augustus 2025 aan derden is medegedeeld, maakt niet dat sprake is van verschillende gebeurtenissen. De verklaringen zijn in essentie gelijkluidend en ondersteunen elkaar op wezenlijke onderdelen. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de verdediging.
Conclusie
Op grond van de hiervoor besproken bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster op 12 augustus 2025 met enig misdrijf tegen het leven heeft bedreigd.
Feit 2
Bewijsmiddelen
Aangever [aangever 2] heeft verklaard dat verdachte op 8 augustus 2025 telefonisch tegen hem heeft gezegd ‘ik maak jullie dood, ik voer de paarden aan de leeuwen, en jullie krijgen drie dagen de tijd om het huis te verlaten dan zet ik een verkoopbord in de tuin’. Dit was gericht tegen mij en mijn vrouw [aangever 3] .
Het dossier bevat afbeeldingen van een WhatsAppgesprek tussen aangever en verdachte. Daarin zegt verdachte onder meer: “Ben onderweg” met vier emoticons van vuisten, “Kop der af” en “Ik ruim jullie 2 op”. In het laatstgenoemde bericht zijn drie emoticons van een pistool te zien.
Uit het proces-verbaal van aanhouding volgt dat verdachte bij zijn aanhouding op 8 augustus 2025 heeft geroepen dat hij ‘ze allemaal ging vermoorden’ en dat hij aangever ‘ging afmaken’.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij deze berichten heeft verzonden.
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat verdachte aangever en [aangever 3] op 8 augustus 2025 telefonisch heeft bedreigd door onder meer te zeggen ‘ik maak jullie dood’. Die verklaring vindt ondersteuning in de WhatsApp-berichten die verdachte diezelfde dag aan aangever heeft verzonden, waarin verdachte onder meer heeft geschreven dat hij onderweg was en de tekst ‘kop der af’ en ‘ik ruim jullie twee op’ gevolgd door emoticons van pistolen en vuisten. Daarnaast volgt uit het proces-verbaal van aanhouding dat verdachte zich bij zijn aanhouding op 8 augustus 2025 agressief en dreigend heeft uitgelaten en heeft geroepen dat hij ‘ze allemaal ging vermoorden’ en dat hij aangever ‘ging afmaken’. Naar hun aard en inhoud waren de uitlatingen van dien aard dat bij aangever en diens echtgenote in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat verdachte zijn bedreigingen ten uitvoer zou leggen.
Conclusie
Gelet op de inhoud van de telefonische uitlatingen, de daaropvolgende WhatsApp-berichten en de overige door de verdachte geuite bedreigingen, bezien in onderlinge samenhang, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte aangever [aangever 2] en [aangever 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Feit 3
Er is bij dit feit sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen
- het proces-verbaal rijden onder invloed, p. 42-43;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 juni 2026.
Feit 4
Er is bij dit feit sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen
het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , p. 7-9;
het proces-verbaal tijdlijn in stalkingszaken, p. 19-25;
het aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 27 augustus 2025, nummer PL0600-2025360830-18;
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 juni 2026.
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt dat verdachte in de periode van 27 juni 2025 tot en met 15 augustus 2025 zeer vaak contact heeft gezocht met aangeefster, terwijl aangeefster had gezegd geen rechtstreeks contact meer te willen. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich aan de ten laste gelegde belaging heeft schuldig gemaakt in de periode van 27 juni 2025 tot en met 15 augustus 2025. Voor zover de tenlastelegging ziet op de periode na 15 augustus 2025 ontbreekt het bewijs, zodat verdachte daarvan partieel zal worden vrijgesproken.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.