1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Hattem als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto),
komende uit de richting van Zwolle, gaande in de richting van Wezep, daarmede heeft gereden over de A28,
zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin
bestaande dat verdachte,
zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorvoertuigen, waartoe dat motorvoertuig behoorde,
heeft gereden met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 100 kilometer per uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een snelheid van (ongeveer) 130 kilometer per uur en/of
niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op de (verkeers)situatie ter plaatse en/of de weg (de A28) en/of zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op de (verkeers)situatie ter plaatse en/of de weg (de A28) heeft gericht en/of
in strijd met artikel 43, derde lid, van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV90) anders dan in een noodgeval, heeft gereden over/op, althans gebruik heeft gemaakt van, de vluchtstrook en/of
het verloop van de rijbaan en/of de weg (de A28) niet/onvoldoende heeft gevolgd en/of in strijd met artikel 10, eerste lid, RVV90 met het door hem bestuurde voertuig door de berm heeft gereden en/of
in strijd met het gestelde in artikel 19 RVV90 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig (personenauto) niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
met het door hem bestuurde voertuig is gecrasht en/of over de kop is gegaan/geslagen,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft
plaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Hattem als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto),
komende uit de richting van Zwolle, gaande in de richting van Wezep, daarmede heeft gereden over de A28,
zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorvoertuigen, waartoe dat motorvoertuig behoorde,
heeft gereden met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 100 kilometer per uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een snelheid van (ongeveer) 130 kilometer per uur en/of
niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op de (verkeers)situatie ter plaatse en/of de weg (de A28) en/of zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op de (verkeers)situatie ter plaatse en/of de weg (de A28) heeft gericht en/of
in strijd met artikel 43, derde lid, van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV90) anders dan in een noodgeval, heeft gereden over/op, althans gebruik heeft gemaakt van, de vluchtstrook en/of
het verloop van de rijbaan en/of de weg (de A28) niet/onvoldoende heeft gevolgd en/of in strijd met artikel 10, eerste lid, RVV90 met het door hem bestuurde voertuig door de berm heeft gereden en/of
in strijd met het gestelde in artikel 19 RVV90 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig (personenauto) niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
met het door hem bestuurde voertuig is gecrasht en/of over de kop is gegaan/geslagen,
en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Hattem als bestuurder van een voertuig (personenauto) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de A28, zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij met het door hem bestuurde voertuig gecrasht en/of over de kop gegaan/geslagen;
2.
hij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Hattem als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de A28, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Ten aanzien van feit 2
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 13 januari 2025, p. 199 t/m 202;
- het proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 10 oktober 2024, p. 72 t/m 80.
Ten aanzien van feit 1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 primair tenlastegelegde. Volgens de officier van justitie is het verkeersongeluk te wijten aan de schuld van verdachte (in de zin van ernstige schuld) en heeft [slachtoffer] daardoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval niet tot de conclusie leiden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan artikel 6 van de Wegenverkeerswet (hierna: WVW). Verdachte was zich niet bewust van het feit dat hij de maximumsnelheid heeft overschreden. De enkele omstandigheid van te hard rijden is niet voldoende voor overtreding van artikel 6 WVW. Het rijden zonder rijbewijs kan een verzwarende factor zijn, maar maakt op zich niet dat artikel 6 WVW is overtreden. Het korte moment van onoplettendheid van verdachte toen hij de telefoon voor de navigatie wilde pakken is mogelijk verwijtbaar onvoorzichtig, maar niet aanmerkelijk verwijtbaar onvoorzichtig.
De raadsman refereert zich ten aanzien van het letsel van [slachtoffer] aan het oordeel van de rechtbank.
De raadsman heeft zich tevens ten aanzien van het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Het verkeersongeval
Op 7 oktober 2024, omstreeks 01:50 uur, heeft er op de Rijksweg A28, ter hoogte van
Hattem, een enkelzijdig verkeersongeval plaatsgevonden waarbij een personenauto betrokken was. In de personenauto zaten drie inzittenden. De bestuurder van de personenauto reed op de Rijksweg A28 links, komende uit de richting van Zwolle en gaande in de richting van Wezep. De ter plaatse toegestane maximumsnelheid betrof 100 kilometer per uur.
Het verkeersongeval vond plaats op een recht weggedeelte. Naast de rijbaan lag aan de rechterzijde een ongeveer 3 meter brede vluchtstrook die door middel van een onderbroken kantstreep van de rijbaan was gescheiden. Rechts naast de vluchtstrook lag een grasberm. De straatverlichting was in werking. Ter hoogte van hectometerpaal 85,5 is de auto van de rijbaan geraakt en in de grasberm gekomen. De auto heeft een 74 meter lang sporenbeeld achtergelaten. De eerste ongeveer 60 meter van dit sporenbeeld bestond uit twee parallel afgetekende bandensporen. Aan het einde van deze 60 meter bevond zich een verhoging in de grasberm. Hierna waren de sporen, over een afstand van ongeveer 14 meter, richting de vluchtstrook afgetekend. Na het raken van de verhoging is de auto terug op de vluchtstrook gekomen en op zijn dak gerold. Uiteindelijk is de auto op zijn wielen tegen de rijrichting in op de vluchtstrook tot stilstand gekomen. De afstand tussen het begin van de eerste sporen en de eindpositie van de personenauto was ongeveer 105 meter. Op de vluchtstrook waren over een afstand van ongeveer 30 meter, tot de eindpositie van de personenauto, gras, glas- en voertuig(onder)delen, een rode, op bloed gelijkende, vlek met daar omheen verpakkingen van medisch handelen en krassporen te zien. De passagier, die op de achterbank zat, was uit de auto geslingerd en gewond geraakt.
Voertuigonderzoek
Het voertuig werd onderzocht op mogelijke technische gebreken, welke een rol gespeeld zouden kunnen hebben in het ontstaan van het ongeval. Dergelijke gebreken werden niet aangetroffen. De auto was voorzien van een event datarecorder (EDR). Deze recorder heeft data opgeslagen die in verband zijn te brengen met het ongeval. De recorder heeft geregistreerd dat de auto voorafgaand aan het ongeval op de cruise control en met een snelheid van ongeveer 130 kilometer per uur heeft gereden. Er waren geen aanwijzingen dat verdachte door middel van remmen probeerde het ongeval te voorkomen. Volgens de EDR droegen de inzittenden vóórin de auto de voor hen bestemde autogordel. De linker en rechter gordel achter in de auto waren volgens het EDR-systeem niet vastgeklikt.
Verklaring van verdachte
Verdachte heeft verklaard dat hij door [benadeelde] is gevraagd om in haar auto van Assen naar Amsterdam te rijden. Zij was moe en niet in staat om te rijden. Verdachte stemde in, hoewel hij zich er bewust van was dat hij niet over de benodigde rijbevoegdheid beschikte. Voordat zij vertrokken, nam hij nog twee hijsjes van een wietsigaret. [benadeelde] zat naast hem en [slachtoffer] zat op de achterbank achter [benadeelde] . Verdachte verklaarde dat het heel donker was en dat vond hij vervelend. Hij reed 120 of 130 kilometer per uur en op de cruise control. De telefoon met de navigatie lag op schoot van [benadeelde] en verdachte moest steeds opzij kijken om de route te zien. Hij vroeg [benadeelde] om hem de telefoon aan te reiken. Terwijl zij hem de telefoon wilde geven, probeerde hij de telefoon van haar schoot af te pakken, maar greep hij mis omdat zij de telefoon al gepakt had. Door dit misverstand was zijn blik even niet op de weg gericht. Daarna ging het allemaal heel snel en sloeg de auto over de kop. Zij vonden [slachtoffer] bewusteloos en bebloed buiten de auto.
Schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994
Of er sprake is van ‘schuld’ in de zin van artikel 6 WVW hangt af van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding of verkeersfout voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een op zijn minst aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Het moet gaan om méér dan een moment van onoplettendheid.
Verdachte was op 7 oktober 2024 rond 01:53 de bestuurder van de Volkswagen Polo toen deze betrokken raakte bij een eenzijdig ongeval op de A28 te Hattem. Verdachte reed, zonder dat aan hem een rijbewijs voor dit type motorvoertuig was afgegeven, ongeveer 30 kilometer per uur te hard. De navigatie stond ingeschakeld op de telefoon van [benadeelde] die op haar schoot lag. Verdachte moest steeds opzij kijken om de navigatie te kunnen zien en vroeg of hij de telefoon kon krijgen. [benadeelde] gaf hem de telefoon aan terwijl hij op datzelfde moment de telefoon van haar schoot wilde pakken en mis greep. Hierdoor was verdachte afgeleid en was zijn blik niet op de weg gericht.
Het was donker, het ongeval vond plaats op een recht stuk weg met straatverlichting en verdachte reed op de cruise control. Toch is de auto, zonder te remmen, van de rijbaan geraakt, via de vluchtstrook in de grasberm terecht gekomen, heeft een heuvel geraakt, is terug op de vluchtstrook gekomen en op zijn dak gerold. Uiteindelijk is de auto op zijn wielen, tegen de rijrichting in, tot stilstand gekomen op de vluchtstrook. [slachtoffer] , die geen gordel droeg, is door het ongeval de auto uit geslingerd en gewond geraakt. Het kan niet anders zijn dan dat verdachte gewoonweg niet (voldoende) op de weg heeft gelet. Als gevolg hiervan heeft verdachte zijn voertuig niet voldoende onder controle gehouden en kon hij het voertuig niet op tijd tot stilstand brengen. De rechtbank is van oordeel dat dit – gelet op het bovenstaande - méér dan een moment van onoplettendheid oplevert.
Van iedere bestuurder mag worden verwacht dat deze anticipeert op komende verkeerssituaties en voortdurend (geestelijk en lichamelijk) in staat is zijn voertuig onder controle te houden om veilig aan het verkeer deel te nemen en om de daarvoor benodigde verkeershandelingen te verrichten. Verdachte heeft zich niet aan deze zorgplicht gehouden. Immers, hij heeft zijn voertuig niet onder controle gehouden door op een recht stuk weg van de weg af te raken, de berm in te rijden en over de kop te slaan. Dit terwijl hij geen rijbewijs had en 30 kilometer per uur te hard reed. Daar komt nog bij dat verdachte niet bekend was met de situatie ter plaatse, er twee inzittenden bij hem in het voertuig zaten en bij hem 3,0 microgram cannabis per liter bloed, de maximum toegestane grenswaarde, is gemeten.
Gelet op het geheel aan verdachtes gedragingen is de rechtbank van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden als gevolg waarvan het eenzijdige verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft daarom schuld aan het verkeersongeval zoals bedoeld in artikel 6 WVW.
Letsel
Uit de medische verklaring blijkt dat [slachtoffer] door het ongeluk het volgende letsel heeft opgelopen:
een schedelbasisfractuur met bloeding rondom de stam;
een sternum fractuur met mediastinaal hematoom;
fractuur thoracale Th3 en Th4;
pulmonale matglas afwijkingen dd contusie dd aspiratie;
hematoom mediastinum;
een sternum fractuur met verhoogde troponines geduid als corcontusie;
een fractuur Lamina c2 bdz.;
1e Ford type 2 fractuur en sinus maxillaris fractuur.
[slachtoffer] verklaarde dat hij twee weken in coma heeft gelegen. In eigen bewoordingen gaf hij aan dat hij een breuk bij zijn nek had, een schaafwond op zijn achterhoofd en op zijn voorhoofd. De kaak en vier ribben waren gebroken. De druk in de hersenen was heel hoog en hij had bloedingen in de hersenen. In totaal moest hij zes weken in het ziekenhuis in Zwolle blijven. Daarna is hij naar Revalidatiecentrum Overtoom-Reade in Amsterdam gegaan. Het herstel ging langzaam. Naar schatting zou hij wel kunnen genezen, maar kon niet worden voorspeld hoelang dat ging duren en of hij eventueel blijvend letsel of klachten zou houden.
De rechtbank overweegt dat voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel van belang zijn. De rechtbank is van oordeel dat het letsel zoals hiervoor omschreven gelet op de aard en de gevolgen naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Dit betekent dat zwaar lichamelijk letsel bewezen kan worden verklaard.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 1 primair tenlastegelegde kan worden bewezen dat verdachte een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.