1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is onder parketnummer 05-000545-26 ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 2 januari 2026 te Nijmegen, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[aangever] te bewegen tot de afgifte van enig goed, te weten een contant geldbedrag ter hoogte van 4650 euro
die [aangever] heeft gebeld en zich voor heeft gedaan als [valse naam] , althans een politieagent,
die [aangever] heeft gezegd dat hij een contant geldbedrag moest pinnen,
een afspraak met die [aangever] heeft gemaakt waarbij dat contante geldbedrag op zou worden gehaald,
naar het adres van die [aangever] is gereden,
een ander heeft bewogen aan te bellen bij de voordeur van die [aangever] om het geldbedrag op te halen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op 2 januari 2026 te [plaats] en Nijmegen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een ander, te weten [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2010 (15 jaar), heeft geworven, vervoerd en/of overgebracht met het oogmerk van
uitbuiting van die [minderjarige] , terwijl die [minderjarige] de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt en/of terwijl die [minderjarige] een persoon in een kwetsbare positie was,
immers heeft verdachte, samen met een of meer anderen, die [minderjarige]
bij haar woongroep in [plaats] opgehaald,
vervoerd naar Nijmegen,
een geldbedrag (250 euro) aangeboden om zich voor te doen als agent en/of een envelop met geld op te halen bij de voordeur van een ander, te weten [aangever] , zijnde een slachtoffer van oplichting (middels nepagent);
en onder parketnummer 05-110038-26 dat:
hij op 2 januari 2026 te Nijmegen, althans in Nederland een reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een nationaal rijbewijs uit Groot-Brittannië op naam van [naam] , geboren [geboortedag]
2003 met documentnummer [nummer] waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze vals of vervalst was, voorhanden heeft gehad;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op 2 januari 2026 te Nijmegen, althans in Nederland opzettelijk een vals en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een nationaal rijbewijs uit Groot-Brittannië op naam van [naam] , geboren [geboortedag] 2003 met documentnummer [nummer] , voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geschrift bestemd was om gebruik te maken als ware het echt en onvervalst.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Ten aanzien van parketnummer 05-000545-26
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de materiële en/of intellectuele bijdrage van verdachte (het enkel vervoeren van [medeverdachte] en [minderjarige] ) niet van zodanig gewicht is dat hij als medepleger van de poging tot oplichting (feit 1) kan worden gekwalificeerd. Ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde stelt de raadsman zich eveneens op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken. Hij voert daartoe aan dat niet van uitbuiting kan worden gesproken, althans dat het daarvoor vereiste oogmerk niet aanwezig is geweest en dat tevens geen sprake was van nauwe en bewuste samenwerking.
Beoordeling door de rechtbank
Op 2 januari 2026 waren verbalisanten in de woning van [aangever] aan [adres] in Nijmegen. Uit eerdere gesprekken tussen verdachten en [aangever] was namelijk bekend geworden dat hij in de middag van 2 januari 2026 gebeld zou worden door de verdachten, die zich voordeden als politieagenten dan wel bankmedewerkers. [aangever] werd die dag meerdere keren gebeld via WhatsApp door het telefoonnummer + [telefoonnummer] . De mannenstem aan de telefoon zei dat er die dag een bedrag van € 4.650,00 veilig gesteld zou worden door zijn collega’s. Hij gaf aan dat het geld omstreeks 17:15 uur zou worden opgehaald. Vervolgens ging om 17:14 uur de deurbel van de woning van [aangever] . Op advies van de politie werd niet open gedaan en anderhalve minuut later werd nogmaals aangebeld. Vervolgens werd [aangever] meermaals door het eerder genoemde nummer gebeld. Die oproepen werden niet beantwoord door [aangever] . De verbalisanten hoorden op het politiebureau dat de stem van medeverdachte [medeverdachte] overeenkwam met de mannenstem die aangever die dag meermaals aan de telefoon had gehad. Zij herkennen de stem door de manier van spreken, aan de woorden die [medeverdachte] gebruikte en de stem kwam overeen met de toon van de stem van verdachte.
Verbalisanten zagen dat er op 2 januari 2026 om 17:14 uur een witte Mercedes-Benz geparkeerd stond op de [adres] in Nijmegen. Om 17:17 uur stond er in de hal van het appartementencomplex aan [adres] in Nijmegen een jonge vrouw met een telefoon in de hand. Zij liep vervolgens naar buiten terwijl ze, zoals het leek, aan het videobellen was. Zij nam om 17:20 uur plaats achterin de eerder genoemde Mercedes. De inzittenden van de Mercedes werden vervolgens aangehouden. Verdachte zat op de bestuurdersstoel. [medeverdachte] zat rechts-voorin op de bijrijder stoel in de witte Mercedes. De jonge vrouw achterin was [minderjarige] (toen 15 jaar oud).
iPhone 11
Medeverdachte [medeverdachte] was tijdens de aanhouding in het bezit van een iPhone 11. Deze lag op de grond aan de passagierskant van het voertuig waar hij zat toen hij werd aangehouden. Vanaf dit toestel werden verschillende chatberichten verstuurd uit naam van ‘ [valse naam] ’. Politiemedewerkers herkenden de stem die zich aan de telefoon voordeed als ‘ [valse naam] ’ als de stem van medeverdachte [medeverdachte]. In de gespreksgeschiedenis is te zien dat vanaf het toestel meerdere gesprekken plaatsvonden met telefoonnummer [telefoonnummer] (aangever [aangever] ). Het telefoonnummer staat in de telefoon opgeslagen als ‘ [naam] ’. Tussen 13 december 2025 en 2 januari 2026 vonden er in totaal 80 gesprekken plaats. In die periode vonden er eveneens 83 gesprekken plaats met telefoonnummer [telefoonnummer] . Dat telefoonnummer is in de telefoon van [minderjarige] gekoppeld aan WhatsApp en de sms-functie van die telefoon.
In de telefoon stond een chatgesprek via Telegram met ‘ [account 1] ’ die gebruik maakt van Telegram ID [nummer] . Dit nummer staat in het toestel van verdachte [verdachte] (iPhone 15 Pro Max) gekoppeld aan Telegram. In de periode tussen 1 juli 2025 en 2 januari 2026 zijn er in totaal 575 berichten over en weer gestuurd. De berichten gaan onder meer over zogenoemde ‘leadlists’. Dat zijn lijsten met persoonsgegevens die illegaal worden verhandeld en de gegevens worden vervolgens gebruikt voor verschillende vormen van oplichting.
Op 13 december 2025 wordt door ‘ [account 1] ’ het Britse telefoonnummer + [telefoonnummer] gedeeld met ‘ [account 2] ’ inclusief een vermoedelijk autorisatiecode [nummer] . Zes minuten later werd door ‘ [account 2] ’ een screenshot gedeeld van een geactiveerd WhatsApp profiel op naam van [valse naam] met telefoonnummer + [telefoonnummer] en profielfoto van een politielogo en dan volgt het volgende gesprek:
[account 1] : ‘Let fucking go’
[account 2] : ‘Broooo. Oml im otp’
[account 1] : ‘Told you bro. You can make €1000 right now easily’.
[account 2] : ‘7bags. His account got free. The normal one’
[account 1] : ‘Yep woosh him’
[account 2] : But the investment bank cant’
[account 1] : ‘Can you get card details?’
[account 2] : ‘Algoritm there gonna block it again’
[account 2] : ‘It’s NL bro. Iban’
[account 1] : ‘Fuckkk’
[account 2] : ‘Not cc’
Er staat ook een gesprek via Snapchat in de telefoon tussen ‘ [account 3] ’ en ‘ [account 4] ’. ‘ [account 4] ’ komt meerdere keren voor in de politiesystemen en is gekoppeld aan [naam] met telefoonnummer [telefoonnummer] . Het gesprek vindt plaats op 2 januari 2026:
[account 3] : ‘Yo. Morgen weer fit toch’
[account 4] : ‘Ja. Wat driver enzo readt. Zelfde plek weer of ergens anders.’
[account 3] : ‘Zelfde gw. Tot t dood is.’
[account 4] : ‘Ai ben net terug van werk ga ff laag’
[account 4] : ‘Yo. Waar jij’
[account 3] : ‘Onderweg Nijmegen’
[account 4] : ‘Oh ai. Met Z’
[account 3] : ‘Nee zo een nigga van me uit UK’
[account 4] : ‘Sii en die driver is hij al daar’
[account 3] : ‘Neeman’
[account 4] : ‘Of gaan we niet’
(2x audiobericht van [account 3] )
[account 4] : ‘Dus wanneer gaan we er echt op’
[account 3] : ‘Moet ff nieuwe driver fixen deze man zegt hij gaat kappen. Kijk jij ook ff’
[account 4] : ‘Siii. 20 p. Toch’
In het toestel werden verder in de notities oplichtingsscripts aangetroffen en foto’s waaruit blijkt dat verdachte veel geld had om te besteden. En er is ook een foto aangetroffen van een nagemaakt politielegitimatiebewijs met daarop de foto van vermoedelijk medeverdachte [minderjarige] en de naam [naam] .
iPhone 15 Pro Max
In de deur van de bestuurderszijde waar verdachte [verdachte] zich bevond ten tijde van de aanhouding is een zwarte iPhone 15 Pro Max aangetroffen en in beslag genomen. Ook in deze telefoon zijn de 575 berichten tussen ‘ [account 1] ’ ( [verdachte] ) en ‘ [account 2] ’ ( [medeverdachte] ) via telegram aangetroffen. In de gesprekken tussen beiden is onder andere te lezen dat [account 2] zelfstandig een ‘center’ in de lucht probeert te krijgen en dat het krijgen van leads problematisch is. Op 21 juli 2025 vraagt [account 2] aan [account 1] of hij het volgende bericht op zijn kanaal kan posten: ‘Looking for reliable DID providers’ om centers weer up and running te krijgen.
Naast twee Ledger scripts zijn ook leadlijsten met de titel ‘Ledger’ aangetroffen in de telefoon. De leadlijsten bevatten diverse persoonsgegevens zoals naam, adres, telefoonnummer en mailadres. De Ledger scripts in combinatie met leadlijsten kunnen worden gebruikt bij online oplichting.
Verdachten
[minderjarige] heeft verklaard dat ze 15 jaar oud is en sinds een aantal weken verblijft op een woongroep in [plaats] . Ze kent medeverdachte (rechtbank: bedoeld wordt [medeverdachte] ) bijna een jaar, maar zij zien elkaar nooit. Het contact ging via Snapchat. [minderjarige] heeft verklaard dat zij medeverdachte af en toe belde voor geld voor de McDonald’s, maar dat kreeg ze niet. In de week van 2 januari 2026 belde medeverdachte naar [minderjarige] dat zij geld moest ophalen. Ze zou gereden worden door een vriend van medeverdachte uit Engeland en ze zou er € 250,00 voor krijgen. Voor het naar Nijmegen gaan gebruikte ze de naam [naam] . Ze kreeg van medeverdachte uitgelegd wat ze moest doen in Nijmegen. Ze moest een envelop ophalen. Op 2 januari 2026 heeft medeverdachte haar gebeld dat hij haar kwam ophalen. Even later is [minderjarige] door medeverdachte en de man uit Engeland opgehaald in [plaats] . De man uit Engeland was de bestuurder. Zij zat achterin en de bestuurder zei tegen haar dat zij een envelop moest ophalen, dat zij daarvoor € 250,00 zou krijgen en dat het legaal zou zijn. [minderjarige] heeft verklaard dat zij dacht ‘free money dus oke’. In de auto heeft medeverdachte één keer gebeld. Het was een kort gesprek en tijdens dat gesprek klonk hij volwassen en praatte hij meer ABN. Hij zei dat zijn collega er om 17:15 uur zou zijn, achteraf besefte [minderjarige] dat zij die collega was. Toen zij waren gearriveerd in Nijmegen moest [minderjarige] naar het huis lopen. Toen zij daar was deed niemand open. Zij heeft medeverdachte gebeld dat er niet open werd gedaan, waarop medeverdachte die man toen twee keer heeft gebeld. Zij is toen terug gelopen naar de auto en toen werden ze aangehouden.
Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij verdachte [verdachte] kent van internet. Op 2 januari 2026 heeft hij [minderjarige] samen met verdachte [verdachte] , in de huurauto op naam van verdachte [verdachte] , opgehaald in [plaats] en zijn ze naar Nijmegen gereden. Hij heeft de naam [valse naam] gebruikt en wist dat [aangever] al € 4.600,00 had gepind. Dat geld moest opgehaald worden. Toen ze in Nijmegen waren liep [minderjarige] naar de deur, maar er werd niet open gedaan en zij liep uiteindelijk weer terug naar de auto.
Verdachte [verdachte] heeft verklaard dat hij naar Nederland was gekomen om nieuwjaar te vieren. Hij heeft een auto (een witte Mercedes) gehuurd op zijn eigen naam. Hij verbleef in een hotel in Amsterdam en is met medeverdachte [medeverdachte] in Rotterdam naar een club gegaan om nieuwjaar te vieren. Op 2 januari 2026 ging hij met medeverdachte [medeverdachte] wat eten. Toen hebben ze [minderjarige] opgehaald en reden ze naar de McDonald’s. [medeverdachte] heeft tegen verdachte [verdachte] gezegd dat hij [minderjarige] kende en dat zij niet spoorde en in een pleeggezin zat. [verdachte] wist waar hij naartoe moest rijden omdat [medeverdachte] dat op de navigatie had ingevoerd. Verdachte [verdachte] heeft verklaard dat hij op verzoek van medeverdachte [medeverdachte] een Britse simkaart heeft aangeschaft en aan medeverdachte [medeverdachte] het nummer en de activatiecode heeft toegestuurd.
Betrouwbaarheid verklaring [minderjarige]
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van [minderjarige] niet als betrouwbaar zijn aan te merken. De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt hiertoe dat de verklaringen van [minderjarige] op diverse essentiële punten steun vinden in overige bewijsmiddelen. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen.
Poging oplichting (feit 1)
Gelet op het voorgaande in samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat kan worden vastgesteld dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] al sinds 1 juli 2025 contact hadden over oplichtingspraktijken. Verdachte heeft een Brits telefoonnummer geregeld (waarmee aangever later wordt benaderd) en heeft op 13 december 2025 het Britse telefoonnummer met activatiecode naar medeverdachte [medeverdachte] gestuurd, waarna [medeverdachte] een screenshot stuurt van een WhatsApp account met dit nummer en de naam [valse naam] met als profielfoto het logo van de politie. Vervolgens volgt een gesprek tussen [medeverdachte] en [verdachte] over de rekening van aangever en zegt [verdachte] ‘let’s woosh him’. Aangever is op 2 januari 2026 meerdere keren met dit Britse telefoonnummer gebeld via WhatsApp en verbalisanten herkennen de stem van medeverdachte [medeverdachte] als degene met wie aangever heeft gesproken.
De rechtbank komt tot de conclusie dat medeverdachte [medeverdachte] op 2 januari 2026 de gebruiker was van de oplichtingstelefoon met het van verdachte gekregen Britse telefoonnummer en dat hij daarmee de ten laste gelegde gesprekken heeft gevoerd, waarbij hij zich heeft voorgedaan als een medewerker van de politie.
Op 2 januari 2026 zijn verdachte, medeverdachten [medeverdachte] en [minderjarige] samen naar Nijmegen gereden om een envelop bij aangever op te halen en even later worden ze terwijl ze in de auto zitten aangehouden. Verdachten hebben zich voorgedaan als nepagent en waren voornemens om in Nijmegen bij aangever een envelop met € 4.650,00 op te halen. [minderjarige] is naar de deur van de woning van aangever gelopen en heeft aangebeld. Het is bij een poging gebleven omdat aangever de deur niet open heeft gedaan.
Medeplegen
Verdachte heeft samen met (een) ander(en) het slachtoffer gepoogd op te lichten. Ook is sprake geweest van een duidelijk vooropgezet plan en een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en mededader(s), waarbij verdachte een significante rol had. Daarmee was zijn rol van voldoende gewicht om hem als medepleger aan te merken van de poging tot oplichting.
Conclusie
Gelet op deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 ten laste gelegde poging tot oplichting.
Criminele uitbuiting (feit 2)
De rechtbank stelt vast dat verdachte een minderjarig meisje heeft ingezet om een strafbaar feit te plegen, te weten poging tot oplichting. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of verdachte de minderjarige daarbij heeft uitgebuit in de zin van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht. Volgens de tenlastelegging bestaat deze uitbuiting er kort gezegd uit dat de minderjarige voor verdachte zich voor moest doen als nepagent en een envelop met geld moest ophalen bij [aangever] .
Voor een bewezenverklaring van mensenhandel in de zin van artikel 273f eerste lid, sub 2 Sr dient te zijn voldaan aan een drietal elementen. Ten eerste moet worden vastgesteld dat er sprake is van feitelijke handelingen, ten tweede moet worden vastgesteld dat verdachte hierbij het oogmerk van uitbuiting had en ten derde moet sprake zijn van minderjarigheid van de ander.
Minderjarigheid
[minderjarige] was 15 jaar ten tijde van het tenlastegelegde feit.
Feitelijke handelingen
Medeverdachte [medeverdachte] heeft tegen [minderjarige] gezegd dat ze een envelop moest ophalen en dat ze daar € 250,00 voor zou krijgen. Hij heeft haar samen met verdachte [verdachte] opgehaald bij de woongroep waar zij verbleef en toen zijn ze naar Nijmegen gereden, [verdachte] bestuurde de auto.
Daarmee is de rechtbank van oordeel dat sprake is van ‘werven’, ‘vervoeren’ en ‘overbrengen’ als bedoeld in artikel 273f, eerste lid sub 2 Sr.
Oogmerk van uitbuiting
De uitbuiting van strafbare activiteiten met inzet van minderjarigen moet gepaard gaan met een zekere mate van onvrijheid voor de minderjarige. Naar het oordeel van de rechtbank is daar in dit geval sprake van geweest. Daarvoor acht de rechtbank van belang dat [minderjarige] in een kwetsbare positie verkeerde en dat zij in een afhankelijke relatie stond ten opzichte van verdachten. Zij was 15 jaar oud en verbleef in een woongroep. Medeverdachte [medeverdachte] was hiervan op de hoogte en later verdachte ook. Medeverdachte [medeverdachte] heeft tegen verdachte [verdachte] gezegd dat hij [minderjarige] kende en dat zij niet spoorde en in een pleeggezin zat. Desondanks hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte] aan [minderjarige] instructies gegeven om het geld op te halen bij de voordeur van het flatgebouw van [aangever] . Toen zij aankwamen bij het flatgebouw heeft verdachte [verdachte] tegen [minderjarige] gezegd dat zij een envelop moest ophalen, dat zij daarvoor € 250,00 zou krijgen en dat het legaal zou zijn. Dit gebeurde terwijl verdachte en medeverdachte [medeverdachte] in de auto bleven wachten en haar aanstuurden. Hierdoor liepen zij aanzienlijk minder risico om betrapt en gepakt te worden. Zij legden hiermee alle risico’s bij [minderjarige] , terwijl zij zich op een plek bevond die zij niet kende en zij was afhankelijk van verdachte en medeverdachte voor haar vervoer terug naar huis. Zij hebben haar in een situatie gebracht waaruit zij zich niet makkelijk kon onttrekken.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met medeverdachte [medeverdachte] heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van de kwetsbare minderjarige [minderjarige] , bestaande uit het uitbuiten van die kwetsbare minderjarige, in die zin dat zij is aangezet tot het plegen van een strafbaar feit.
Ten aanzien van parketnummer 05-110038-26
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde bezit van een vals identiteitsdocument.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het feit.
Beoordeling door de rechtbank
Op 2 januari 2026 werd verdachte in Nijmegen aangehouden. Door een medewerker van de afdeling Vreemdelingen Identificatie Mensenhandel (AVIM) werd vanuit de fouillering van verdachte het rijbewijs in beslag genomen. Verdachte had op dat moment meerdere buitenlandse rijbewijzen bij zich en gaf aan [verdachte] te heten. Dat kwam overeen met één van de getoonde rijbewijzen en dat rijbewijs bleek echt te zijn. Op het andere rijbewijs stond de naam [naam] . De profielfoto op dat rijbewijs kwam niet overeen met de foto van verdachte [verdachte] in BVID.
Het rijbewijs uit Groot-Brittannië op naam van [naam] , geboortedatum [geboortedag] 2003 met documentnummer [nummer] is onderzocht door de Koninklijke Marechaussee (KMar) en blijkt vals te zijn. Er zijn meerdere afwijkende kenmerken vastgesteld ten opzichte van een origineel document:
de basisbedrukking van het rijbewijs is niet gedrukt, maar geprint;
de absorptie van het rijbewijs bij infrarood licht wijkt af;
de pasfoto van de houder en de persoons- en afgiftegegevens zijn niet aangebracht middels lasergravure, maar middels een printer;
de bedrukking van het rijbewijs bevat geen microtekst;
het rijbewijs is niet voorzien van een variabel laserbeeld;
de fluorescentie van het rijbewijs bij ultraviolet licht wijkt af.
Conclusie
Om tot een bewezenverklaring te komen dient bewezen te worden dat verdachte wist, dan wel redelijkerwijs moest vermoeden, dat het desbetreffende rijbewijs vals was. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij het rijbewijs op een huisfeest in Londen heeft gevonden en heeft meegenomen. Die verklaring van verdachte wordt niet nader geconcretiseerd en is niet verifieerbaar. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij zag dat het rijbewijs niet goed was. De rechtbank is van oordeel dat kan worden vastgesteld dat verdachte wist dat het ging om een vals rijbewijs. Dit betekent dat het primair tenlastegelegde voorhanden hebben van een vals identiteitsdocument wettig en overtuigend kan worden bewezen.