ECLI:NL:RBGEL:2026:6055
Rechtbank Gelderland
- Uitspraak
- 27 juli 2026
- Zaaknummer
- 05/187078-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie
Veroordeling voor het meermalen plegen van ontuchtige handelingen bij drie minderjarige jongens. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 24 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en bijzondere voorwaarden.
Uitspraak
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 oktober 2012 tot en met 23 oktober 2016 te [woonplaats] , gemeente Lochem, met [minderjarige 1] (geboren op [geboortedag] 2000), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten
- het aftrekken en/of het betasten van de penis van die [minderjarige 1] en/of
- het laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [minderjarige 1] ;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 24 oktober 2017 tot en met 23 oktober 2018 te [woonplaats] , gemeente Lochem, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [minderjarige 1] (geboren op [geboortedag] 2000), heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het aftrekken en/of het betasten van de penis van die [minderjarige 1] , waarbij dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld en/of met die andere feitelijkheid er in heeft/hebben bestaan dat verdachte
- voornoemde ontuchtige handeling onverhoeds heeft verricht en/of die [minderjarige 1] hiermee heeft overrompeld en/of
- ( hierbij) misbruik heeft gemaakt van zijn uit feitelijke verhoudingen en omstandigheden voortvloeiende overwicht op die [minderjarige 1] , gelet op de jonge leeftijd van die [minderjarige 1] en/of het grote leeftijdsverschil tussen hem, verdachte, en die [minderjarige 1] en/of het feit dat hij, verdachte, een familievriend en voormalig oppas van die [minderjarige 1] was en/of
- ( hierdoor) een zodanig bedreigende en/of beangstigende situatie heeft gecreëerd en/of die [minderjarige 1] in een zodanig weerloze en/of afhankelijke toestand heeft gebracht dat die [minderjarige 1] zich niet aan bovengenoemde ontuchtige handeling kon en/of durfde te onttrekken;
2.
hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2017 tot en met 31 oktober 2017 te Deventer, met [minderjarige 2] (geboren op [geboortedag] 2005), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het betasten van de penis van die [minderjarige 2] ;
3.
hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2017 tot en met 31 juli 2017 te Doesburg, met [minderjarige 3] (geboren op [geboortedag] 2007), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten
- het aftrekken en/of het betasten van de penis van die [minderjarige 3] en/of
- het aftrekken en/of betasten van zijn, verdachtes, penis in het bijzijn van die [minderjarige 3] .
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle drie de tenlastegelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onderdeel van de tenlastelegging dat de ontuchtige handelingen op meerdere tijdstippen hebben plaatsgevonden, gezien verdachte slechts één moment bekent. Ten aanzien van het onder feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft de raadsman bepleit dat de verklaringen van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] niet zonder meer betrouwbaar zijn. Daarnaast is er voor deze feiten geen steunbewijs aanwezig, waardoor verdachte van beide tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken. Tot slot heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat zeer voorzichtig moet worden omgegaan met het gebruik van schakelbewijs, om welke reden de raadsman heeft verzocht om het steunbewijs niet op deze wijze vorm te geven.
Beoordeling door de rechtbank
Inleiding
Getuige [getuige] (verder: [getuige] ), moeder van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] heeft verklaard dat zij op 4 december 2024 een krantenartikel las waarin stond dat een 72-jarige man uit [woonplaats] voor de rechtbank was verschenen voor aanranding van een jongen in [woonplaats] . Ook werd vermeld dat hij was betrapt door een familielid toen hij filmpjes van naakte jongens bekeek. [getuige] sloeg hier op aan, omdat zij anderhalf jaar eerder was geïnformeerd door de schoondochter van verdachte die vertelde dat zij hem hadden ‘gesnapt’ bij het kijken naar dergelijke filmpjes. Op het moment dat bij [getuige] het besef kwam dat het mogelijk om verdachte ging, kwam haar zoon [minderjarige 3] (verder: [minderjarige 3] ) thuis. [getuige] heeft – zonder de naam van verdachte te noemen – het krantenartikel aan [minderjarige 3] laten lezen. [minderjarige 3] zei dat hij niet zou weten om wie dit ging. Toen [getuige] zei dat ze dacht dat het om verdachte ging raakte [minderjarige 3] in paniek. Hij begon te huilen en dook weg op een stoel in een hoekje. Op de vraag van [getuige] wat er aan de hand was, vertelde [minderjarige 3] : “hij heeft dat ook bij mij gedaan”. [minderjarige 3] vertelde dat verdachte het in Doesburg op de camping had gedaan. [getuige] weet nog dat zij dat weekend een appje had gekregen van de partner van verdachte dat zij zelf niet kon oppassen, maar dat verdachte met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op de camping bleef en zij daar konden blijven slapen. [minderjarige 3] vertelde dat hij die zondagavond met verdachte in de caravan in bed lag en dat [minderjarige 2] in een tentje lag. [minderjarige 3] vertelde dat verdachte achter hem kwam liggen in bed en dat hij [minderjarige 3] vasthield. [minderjarige 3] deed op dat moment alsof hij sliep.
Tien minuten na dit moment kwam [minderjarige 1] (verder: [minderjarige 1] ) binnen, die vroeg wat er aan de hand was. [getuige] heeft ook hem het krantenbericht laten lezen en gevraagd of hij wist om wie het ging, maar [minderjarige 1] gaf aan het niet te weten. Ook aan hem vertelde [getuige] dat zij dacht dat het om verdachte ging en dat verdachte het ook bij [minderjarige 3] had gedaan. [minderjarige 1] antwoordde hierop met: “jeetje ook bij [minderjarige 3] , hij heeft het ook bij mij gedaan”. Volgens [getuige] stond [minderjarige 1] erbij alsof hij wel kon kotsen en hij rende vervolgens weg naar buiten, omdat het hem te veel werd.
De volgende dag sprak [getuige] met haar derde zoon, [minderjarige 2] (verder: [minderjarige 2] ). [getuige] liet [minderjarige 2] het krantenbericht lezen en vroeg of [minderjarige 2] wist wie het kon zijn. [minderjarige 2] gaf aan dat hij dit niet wist. De man van [getuige] gaf toen aan dat het om verdachte ging. [minderjarige 2] bleef stil en zei hier niet veel op. Vervolgens gaf de man van [getuige] aan dat verdachte dit ook bij [minderjarige 1] en [minderjarige 3] had gedaan. [getuige] vroeg aan [minderjarige 2] of verdachte ook bij hem ooit wat had geprobeerd of gedaan, waarop [minderjarige 2] zei dat hij hierover na moest denken. Volgens [getuige] is [minderjarige 2] een compleet ander kind dan [minderjarige 1] en [minderjarige 3] , hij praat niet snel over van alles. Twee uur later kwam [minderjarige 2] terug en zei dat verdachte het ook bij hem had gedaan. Hij vertelde dat ze gingen zwemmen in Deventer en dat het daar in de sauna was gebeurd.
Verklaringen
Op 13 september 2024 heeft [minderjarige 3] in het informatieve gesprek zeden verklaard dat hij vanaf zijn geboorte bij het gezin van verdachte kwam, als zijnde zijn oppasgezin. Toen [minderjarige 3] 9 of 10 jaar oud was, ging hij op vakantie in Doesburg met verdachte. [minderjarige 2] , de broer van [minderjarige 3] sliep in een tentje en [minderjarige 3] sliep met verdachte in de caravan. Toen verdachte dacht dat [minderjarige 3] sliep, heeft hij het shirt en de onderbroek van [minderjarige 3] uitgetrokken, waarop [minderjarige 3] zich slapende heeft gehouden. Verdachte zat vervolgens met een hand aan het geslachtsdeel van [minderjarige 3] en met zijn andere hand aan zijn eigen geslachtsdeel. [minderjarige 3] kon dit voelen, omdat de hand en het geslachtsdeel van verdachte tegen zijn been aankwam. Op het moment dat [minderjarige 3] zich omdraaide, is het gestopt. Verdachte kon toen niet meer bij zijn geslachtsdeel komen.
Op 16 oktober 2024 heeft [minderjarige 3] vervolgens aangifte gedaan. [minderjarige 3] heeft verklaard dat hij in de zomer van 2017 op de camping in Doesburg was, hij was toen 10 jaar oud. Op een zondagavond, ging de vrouw van verdachte naar huis omdat zij moest werken. De oudste broer van [minderjarige 3] ging al niet meer mee, dus [minderjarige 3] was alleen met [minderjarige 2] . [minderjarige 2] sliep in een tent in de voortent en [minderjarige 3] lag in de caravan met verdachte in bed. Verdachte dacht dat [minderjarige 3] sliep, maar dit was niet zo. [minderjarige 3] lag met zijn rug naar verdachte toe. Ineens voelde [minderjarige 3] de hand van verdachte in zijn onderbroek.
Toen heeft verdachte aan zijn geslachtsdeel gezeten terwijl verdachte ook aan zijn eigen geslachtsdeel zat. Hij was [minderjarige 3] aan het aftrekken en tegelijkertijd was hij ook bezig om zichzelf af te trekken. [minderjarige 3] voelde dit, doordat verdachte met zijn geslachtsdeel tegen de achterkant van bovenbeen aankwam. [minderjarige 3] voelde ook zijn hand. Het duurde niet heel lang en het stopte omdat verdachte in de gaten kreeg dat [minderjarige 3] toch wakker was. [minderjarige 3] draaide zich om en deed zijn ogen open. Hij zag toen dat verdachte helemaal naakt lag en dat zijn geslachtsdeel stijf was. Verdachte schrok dat [minderjarige 3] wakker was, hij stopte direct en raakte zichzelf niet meer aan. Hierna is hij uit bed gestapt. [minderjarige 3] heeft zijn onderbroek, die door verdachte tot zijn knieholtes naar beneden was getrokken, weer omhoog gedaan. Toen [getuige] aan [minderjarige 3] het krantenartikel liet lezen, kwam bij hem alles weer omhoog.
Op 10 september 2024 heeft [minderjarige 1] in het informatieve gesprek zeden verklaard dat toen hij ongeveer twaalf jaar oud was hij bij verdachte, zijn oppasvader, in de kamer was. Verdachte kwam bij hem zitten, deed de broek van [minderjarige 1] uit, pakte zijn penis vast en trok [minderjarige 1] af tot hij klaarkwam. [minderjarige 1] liet het gebeuren, hij was vol ongeloof en angst. Ongeveer anderhalf jaar later, toen [minderjarige 1] in groep acht zat, herhaalde het zich nog een keer. [minderjarige 1] was toen bij de woning van verdachte kozijnen aan het schuren van de overkapping. Dit bleef bij een poging, omdat hij tegen verdachte kon zeggen dat hij moest stoppen, waarop hij stopte.
Op 15 oktober 2024 heeft [minderjarige 1] vervolgens aangifte gedaan van twee situaties. De eerste keer was in 2012, [minderjarige 1] was toen 12 jaar oud. Hij was met verdachte in het huis aan [adres] , hij denkt dat het op vrijdagmiddag was. De vrouw van verdachte was weg. Verdachte kwam op zijn knieën naast hem zitten, terwijl hij op de bank lag en vroeg wat [minderjarige 1] aan het doen was. Vervolgens ging verdachte achter de onderbroek van [minderjarige 1] zitten en daarbij aan zijn penis, waarbij hij [minderjarige 1] aftrekt. Vervolgens pakte hij de hand van [minderjarige 1] , deed deze achter zijn eigen onderbroek en legde zijn hand op de penis van verdachte. Verdachte ging net zolang door met het aftrekken tot [minderjarige 1] klaarkwam. Daarna stopte het en haalde verdachte zijn hand weer van de penis van [minderjarige 1] en trok [minderjarige 1] ook zijn eigen hand weg. Twee jaar later, toen [minderjarige 1] 14 jaar oud was, hielp hij bij het nieuwe huis van verdachte op [adres] met het schilderen van de raamkozijnen aan de achterkant van het huis bij de overkapping. Andere mensen konden daar niet zien wat er gebeurde. Verdachte kwam toen bij [minderjarige 1] staan en zei dat hij het goed deed. Vervolgens ging hij met zijn hand over de penis van [minderjarige 1] op zijn broek heen en weer. Hierna ging hij met zijn hand achter zijn broek en onderbroek en begint [minderjarige 1] af te trekken. Verdachte staat op dat moment rechts achter hem. Dit doet hij weer net zolang tot [minderjarige 1] klaarkomt. Er is niets gezegd.
Op 17 september 2024 heeft [minderjarige 2] in het informatieve gesprek zeden verteld dat toen hij 12 jaar oud was, hij met verdachte, zijn oppasvader, naar de sauna van het zwembad in Deventer ging. Verdachte en [minderjarige 2] zaten naast elkaar in de sauna, gekleed in een zwembroek. Verdachte ging met zijn arm naar het been van [minderjarige 2] en raakte met zijn hand over de zwembroek heen de penis van [minderjarige 2] aan. Dit aanraken en aaien duurde volgens hem ongeveer 5 minuten. [minderjarige 2] wist niet wat hem overkwam, hij sloeg dicht. Toen [minderjarige 2] klaar was met de sauna is hij weggelopen. Verdachte bleef zitten. Er was verder niemand in de sauna.
Op 7 oktober 2024 heeft [minderjarige 2] aangifte gedaan. Hij heeft verklaard dat hij in oktober 2017, hij was toen 12 jaar oud, een dagje in de herfstvakantie met zijn broers, de kleinkinderen van verdachte en verdachte naar het zwembad in Deventer ging. De sauna hadden ze erbij geboekt. Verdachte zat op enig moment alleen met [minderjarige 2] in de sauna. Hij kwam naast [minderjarige 2] . [minderjarige 2] had op dat moment zijn zwembroek aan. Verdachte legde zijn rechterhand op zijn linker bovenbeen en ging steeds meer naar zijn geslachtsdeel. Vervolgens ging verdachte met zijn duim erlangs wrijven. Hij wreef met zijn vinger op het geslachtsdeel van [minderjarige 2] , dit was over de zwembroek heen. Het duurde ongeveer vijf minuten. Toen verdachte stopte met wrijven, legde hij zijn hand op de knie van [minderjarige 2] . Op dat moment is [minderjarige 2] opgestaan en weggelopen uit de sauna. [minderjarige 2] was het een beetje kwijt dat het was gebeurd, toen zijn moeder hem het krantenartikel liet lezen.
Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij nog weet dat hij [minderjarige 1] heeft bevredigd, hij heeft aan zijn piemel gezeten en hem afgetrokken. Dit gebeurde bij hen achter het huis aan [adres] toen [minderjarige 1] hem hielp met het afkrabben van de verf van de kozijnen aan de achterzijde van de woning.
Betrouwbaarheid van de verklaringen
De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de verklaringen van aangevers als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt en voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Alle drie de aangevers hebben een informatief gesprek zeden gevoerd met de politie en daarna hebben zij alle drie afzonderlijk van elkaar aangifte gedaan. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen die door hen zijn afgelegd gedetailleerd zijn en zowel op essentiële punten als op hoofdlijnen consistent zijn en authentiek overkomen. Daar komt bij dat bij [minderjarige 1] en [minderjarige 3] heftige emoties worden waargenomen op het moment dat zij door hun moeder worden geconfronteerd met het krantenartikel dat over verdachte gaat. Van beïnvloeding door elkaar of door hun ouders is de rechtbank op geen enkele wijze gebleken. Dat er wellicht op bepaalde onderdelen – die naar het oordeel van de rechtbank van ondergeschikt belang zijn – anders is verklaard in de aangifte dan in het informatief zeden kan worden verklaard door het tijdsverloop sinds de feiten hebben plaatsvonden, maar ook doordat het proces-verbaal informatief gesprek zeden geen woordelijke uitwerking betreft.
Tot slot merkt de rechtbank in het kader van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op dat uit het dossier geen enkele aanwijzing volgt die kan wijzen op een motief voor het afleggen van leugenachtige verklaringen door hen.
Steunbewijs en schakelbewijs
Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige (de zogenoemde ‘unus testis-regel). Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat het de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de feiten en omstandigheden die door die aangever/getuige worden genoemd op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad staat hier echter tegenover dat, met name in zedenzaken, een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met geloofwaardige verklaringen van het slachtoffer toch het volgens de wet vereiste minimum aan bewijs kan opleveren.
De vraag of voldoende steunbewijs aanwezig is, is afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval. Wel zijn hiervoor in de jurisprudentie enige regels geformuleerd. Zo moet het steunbewijs ‘voldoende steun’ geven aan de verklaring van de aangever/getuige. Dit betekent dat het steunbewijs op relevante wijze in verband moet staan met de inhoud van de verklaring van de aangever/getuige. Het steunbewijs mag in beginsel niet afkomstig zijn van dezelfde bron, in die zin dat als steunbewijs zou kunnen worden gebruikt de verklaring van een ander aan wie de getuige heeft verteld wat hem of haar is overkomen. Een dergelijke de auditu-verklaring levert op zichzelf niet voldoende steunbewijs op. Wel kunnen bepaalde waarnemingen die de de auditu-getuige persoonlijk heeft gedaan voldoende steunbewijs opleveren. Ook kunnen eigen waarnemingen van getuigen, die weliswaar niet het kernverwijt, bijvoorbeeld de verweten seksuele handelingen, bevestigen, binnen de context van de gebeurtenissen voldoende zelfstandig onderscheidend zijn om als objectief gegeven in combinatie met andere omstandigheden een rol van betekenis te spelen als steunbewijs naast de verklaring van het slachtoffer. Niet is vereist dat het steunbewijs betrekking dient te hebben op de ten laste gelegde gedragingen. Ook is niet vereist dat het steunbewijs rechtstreeks de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde feit bevestigt.
Onder bepaalde omstandigheden kan aan het bewijsminimum worden voldaan door middel van schakelbewijs. Met de term schakelbewijs wordt gedoeld op een bewijsvoering waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de – uit één of meer bewijsmiddelen blijkende – omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. De vraag of dergelijk – in diverse varianten voorkomend – schakelbewijs redengevend is, moet worden beoordeeld in het licht van de gehele bewijsvoering. Daarbij kan van belang zijn of en in hoeverre de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de onderscheidene feiten zijn begaan, op essentiële punten overeenkomen. (Vgl. HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1303 en HR:23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024,654).
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een overeenkomende modus operandi kunnen betrokken worden de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de betreffende feiten, waaronder begrepen de context waarbinnen zij zich hebben voorgedaan, de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven en het desbetreffende handelen van de verdachte, alsmede de verklaringen die de verdachte daarover heeft afgelegd. Daarbij kan het bewijs in verschillende zaken over en weer redengevend worden geacht, zelfs als geen enkel feit afzonderlijk – dus los van de schakelbewijsconstructie – wettig en overtuigend bewezen kan worden.
De rechtbank overweegt allereerst dat, ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde, de verklaring van [minderjarige 1] steun vindt in de bekennende verklaring van verdachte dat hij [minderjarige 1] heeft afgetrokken toen [minderjarige 1] hem in de tuin aan het helpen was.
Ten aanzien van de overige feiten oordeelt de rechtbank als volgt. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben alle drie verklaard over een ontuchtsituatie die wat betreft plaats en handelwijze op essentiële punten overeenkomt. Het gaat om drie broers waar verdachte al jaren op paste. Zij waren allen tussen de 10 en 14 jaar oud toen de ontuchtige handelingen plaatsvonden. Zowel bij [minderjarige 1] , als bij [minderjarige 2] , als bij [minderjarige 3] vonden de ontuchtige handelingen plaats op een moment waarop verdachte alleen met hen was en er verder niemand in de buurt was. Verdachte heeft hen alle drie onzedelijk betast door hen af te trekken of over hun piemel heen te wrijven. Dit gebeurde onverhoeds, het duurde slechts kort en er werd niets gezegd. In geval van [minderjarige 3] en [minderjarige 1] trok verdachte zichzelf ook af op het moment dat hij aan hun geslachtsdeel zat.
Nu de verklaringen van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertonen die duiden op een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van de verdachte is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen elkaar over en weer ondersteunen, en over en weer kunnen dienen als schakelbewijs.
Daarnaast heeft de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen onverminderd de overtuiging gekregen dat de feiten zijn gepleegd zoals deze verdachte worden verweten.
De aard van de handelingen
Voor de beantwoording van de vraag of de handelingen ook kunnen worden aangemerkt als ‘ontuchtige handelingen’ in de zin van artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht, moet het volgens vaste rechtspraak gaan om handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. De rechtbank is van oordeel dat de genoemde seksuele gedragingen in strijd zijn met de sociaal-ethische norm, nu deze hebben plaatsgevonden tussen de veel oudere verdachte en drie destijds minderjarige oppaskinderen en er sprake is geweest van het aftrekken van de aangevers, dan wel het wrijven over hun geslachtsdeel en aftrekken van zichzelf in hun bijzijn. De rechtbank kwalificeert daarmee de door verdachte verrichte handelingen als ontuchtig.
Conclusie
Op grond van al het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat
verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde gedragingen.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.