1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2024 tot en met 27 november 2024 te Arnhem en/of Nijmegen en/of Duiven en/of Gendringen en/of Doetinchem en/of Didam en/of Apeldoorn en/of Zevenaar en/of ’s-Heerenberg en/of Driel, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een ander of anderen, te weten:
- [persoon 1] en/of- [persoon 2] en/of- [persoon 3] en/of- [persoon 4] en/of- [persoon 5] en/of- [persoon 6] en/of- [persoon 7]
die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Nederland hadden verschaft, krachtens (mondelinge) overeenkomst of aanstelling, arbeid (bouwwerkzaamheden) te doen verrichten in diverse steden in de provincie Gelderland waaronder Arnhem en/of Nijmegen en/of Duiven en/of Gendringen en/of Doetinchem en/of Didam en/of Apeldoorn en/of Zevenaar en/of ’s-Heerenberg en/of Driel en/of elders in Nederland, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s):die [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of [persoon 3] en/of [persoon 4] en/of [persoon 5] en/of [persoon 6] en/of [persoon 7]- in een voertuig vervoerd, en/of- van en naar (een) werkplek(ken) vervoerd, en/of- (een) auto(‘s) ter beschikking gesteld ten behoeve van vervoer,en/of- (contant) uitbetaald voor werkzaamheden, en/of- onderdak verschaft, en/of- werkplek(ken) verschaft, en/of- contacten gelegd en/of te onderhouden ten einde voornoemde perso(o)n(en) aan (een) werkplaats en/of verblijfplaats te helpen
terwijl verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans ernstige redenen had(den) om te vermoeden, dat die toegang of dat verblijf in Nederland wederrechtelijk was;
2.hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2024 tot en met 27 november 2024 te Arnhem en/of Nijmegen en/of Duiven en/of Gendringen en/of Doetinchem en/of Didam en/of Apeldoorn en/of Zevenaar en/of ’s-Heerenberg en/of Driel, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een ander of anderen, te weten:
- [persoon 1] en/of- [persoon 2] en/of- [persoon 3] en/of- [persoon 4] en/of- [persoon 5] en/of- [persoon 6] en/of- [persoon 7]
uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en/of hen/hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft/hebben verschaft, (lid 2)
terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s):
die [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of [persoon 3] en/of [persoon 4] en/of [persoon 5] en/of [persoon 6] en/of [persoon 7]- in een voertuig vervoerd, en/of- van en naar (een) werkplek(ken) vervoerd, en/of- (een) auto(‘s) ter beschikking gesteld ten behoeve van vervoer, en/of- (contant) uitbetaald voor werkzaamheden, en/of- onderdak verschaft, en/of- werkplek(ken) verschaft, en/of- contacten gelegd en/of te onderhouden ten einde voornoemde perso(o)n(en) aan (een) werkplaats en/of verblijfplaats te helpen
terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) daarvan een beroep of gewoonte heeft/ hebben gemaakt (lid 4).
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten. Volgens het Openbaar Ministerie zijn de verklaringen van alle getuigen bruikbaar voor het bewijs. De verklaringen worden op essentiële onderdelen ondersteund door objectief bewijs, namelijk waarnemingen van de Koninklijke Marechaussee (hierna: KMar), het aantreffen van het visitekaartje van verdachte, het onderzoek in de telefoons van de getuigen en de telefoon van verdachte, het gegeven dat de getuigen bijna allemaal op hetzelfde adres verbleven en de verklaring van verdachte dat bijna iedereen illegalen/Oezbeken in dienst heeft. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat alle getuigen voor verdachte hebben gewerkt en dat verdachte daarmee (voorwaardelijk) opzet had op mensensmokkel. Daarnaast heeft verdachte daarvan een gewoonte gemaakt, gelet op de omstandigheid dat hij zeven illegalen van woning en werk voorzag. Verdachte werkte niet alleen, aangezien hij gebruik maakte van verhuurder [naam] , tussenpersonen en chauffeurs.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5] , [persoon 6] en [persoon 7] te horen als getuigen. De rechtbank wees het verzoek daartoe toe, echter heeft de rechter-commissaris geconstateerd dat de getuigen onvindbaar waren. De verdediging heeft opnieuw verzocht de getuigen te horen en geconcludeerd dat, als dat verzoek wordt afgewezen, hun verklaringen moeten worden uitgesloten van het bewijs.
Ook zonder de verklaringen van [persoon 4] kan worden vastgesteld dat hij voor verdachte heeft gewerkt, maar niet is gebleken dat verdachte wetenschap heeft gehad van de illegaliteit van [persoon 4] , of ernstige redenen had om dat te vermoeden. Immers, [persoon 4] had door zijn Poolse verblijfsvergunning een rechtsgeldig verblijf binnen de EU, hij had een BSN en Nederlandse bankrekening en stond ingeschreven in de BRP. Verder heeft de KMar vastgesteld dat hij rechtmatig in Nederland was.
Beoordeling door de rechtbank
Getuigenverzoeken
De verdediging heeft nogmaals verzocht om de in de tenlastelegging genoemde personen als getuige te horen. Eerder is geoordeeld dat de verdediging de gelegenheid moet krijgen om die getuigen te ondervragen. Gebleken is dat de getuigen hoogstwaarschijnlijk in het buitenland verblijven en dat bij zowel bij de verdediging als bij het Openbaar Ministerie geen gegevens van hen bekend zijn. De rechtbank is daarom van oordeel dat het niet aannemelijk is dat deze getuigen binnen een aanvaardbare termijn gehoord kunnen worden. Om die reden zal de rechtbank de verzoeken om deze getuigen alsnog te horen, afwijzen.
Een rechter moet voordat hij einduitspraak doet beoordelen of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Gelet op het voorgaande heeft de verdediging, hoewel daartoe wel de wens bestond, niet de gelegenheid gehad om de getuigen op enig moment te kunnen ondervragen over de (voor verdachte belastende) verklaringen. Hoewel er een goede reden is dat de getuigen niet zijn gehoord, is de vraag of deze beperking in het ondervragingsrecht van de verdediging een ontoelaatbare beperking van de verdedigingsrechten heeft opgeleverd, ten gevolge waarvan geen sprake meer zou zijn van een eerlijk proces als de rechtbank deze verklaringen voor het bewijs zou gebruiken. Daarvoor is van belang of de verklaringen van de getuigen in het procesdossier als ‘sole or decidive’ bewijs dienen te worden beschouwd. Voor de beoordeling hiervan is van doorslaggevend belang in hoeverre de verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen.
Bij de beantwoording van die vraag, maakt de rechtbank een onderscheid tussen de verklaringen van getuigen [persoon 4] , [persoon 6] en [persoon 7] enerzijds, en de getuigen [persoon 5] , [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] anderzijds. Voor deze laatste vier geldt, naar het oordeel van de rechtbank, dat hun verklaringen de basis vormen voor de verdenking tegen verdachte en dat het procesdossier op die punten onvoldoende steunbewijs bevat.
Dat [persoon 5] samen met [persoon 4] in een werkbus is aangetroffen waarin ook facturen van het bedrijf van verdachte lagen en dat [persoon 5] op [adres] zou wonen, zoals door de officier van justitie als steunbewijs is benoemd, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inhoudelijke bevestiging van het ten laste gelegde om als steunbewijs aangemerkt te worden. Immers, niet ter discussie staat dat [persoon 4] voor verdachte werkte. Ook voor de verklaringen van [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steunbewijs in het procesdossier te vinden. Het feit dat [persoon 1] een visitekaartje van verdachte bij zich had en het telefoonnummer van verdachte in zijn telefoon had staan, dat [persoon 2] ook op [adres] verbleef en eventueel contact zou hebben gehad met [persoon 4] en dat [persoon 3] op [adres] verbleef, is eveneens onvoldoende om als steunbewijs aangemerkt te worden, mede gezien het feit dat verdachte heeft verklaard dat hij deze personen niet kent en niets te maken heeft met de woning aan [adres] , en die stellingen niet in het dossier worden weerlegd. Gelet hierop zijn de verklaringen van [persoon 5] , [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] aan te merken als ‘sole or decisive’.
Gelet op het vorenstaande en het gebrek aan compenserende factoren, komt de rechtbank tot de conclusie dat de inbreuk op het ondervragingsrecht (en daarmee het recht op een eerlijk proces) zodanig ernstig is dat de verklaringen van de getuigen [persoon 5] , [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] niet als bewijs gebruikt kunnen worden. Met het wegvallen van die verklaringen (en dus bij gebrek aan ander ondersteunend bewijs van voldoende gewicht), is er geen wettig bewijs dat verdachte het ten laste gelegde feit ten aanzien van [persoon 5] , [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] heeft gepleegd. De verdachte zal gelet hierop worden vrijgesproken van de onderdelen van de tenlastelegging die op deze personen zien.
Dit ligt anders als het gaat om de getuigen [persoon 4] , [persoon 6] en [persoon 7] , nu naar het oordeel van de rechtbank voor hun verklaringen wel voldoende steunbewijs te vinden is, namelijk in de verklaringen van verdachte zelf, zoals hierna zal blijken. De verklaringen van deze getuigen zal de rechtbank daarom wel voor het bewijs gebruiken en het (algemeen geformuleerde en op alle niet gehoorde getuigen gerichte) verzoek van de raadsman om deze bewijsmiddelen uit te sluiten, zal dus worden afgewezen. Daarmee is het gebruik van deze getuigen niet ’sole en decisive’ voor de bewijsbeslissing in deze zaak en is dit proces als geheel eerlijk.
Bewijsmiddelen
Verdachte is sinds februari 2024 eigenaar van [bedrijf] B.V., een in Didam gevestigd installatiebedrijf dat zich uitsluitend richt op werkzaamheden in badkamers. [persoon 4] heeft voor het bedrijf van verdachte gewerkt van juni tot half november 2024. Verdachte stelde [persoon 4] een werkbus ter beschikking zodat hij zelf naar klussen kon rijden. Ook stuurde hij [persoon 4] de adressen van en informatie over de klussen waaraan hij moest werken. [persoon 6] en [persoon 7] hebben half november 2024 een klus voor het bedrijf van verdachte gedaan, als ‘proef’ om te kijken of zij goed werk leverden. Verdachte heeft van [persoon 4] een Pools verblijfsdocument, een Nederlands BSN, een Nederlands bankrekeningnummer en een inschrijving in de BRP gezien. Van [persoon 6] en [persoon 7] wist verdachte dat het Moldaviërs waren, dacht hij dat zij ook wel de Roemeense nationaliteit zouden hebben en had hij voordat zij aan het werk gingen, nog geen papieren gecontroleerd. Dit zou gebeuren als na het ‘proef’ werken zou blijken dat de broers goed werk leverden.
Op 23 augustus 2024 werd [persoon 4] in Duiven in een voertuig van verdachte staande gehouden. Hij droeg werkkleding en het voertuig was ingericht als bedrijfsbus voor vermoedelijk bouwwerkzaamheden. [persoon 4] verklaarde dat hij op het moment van staandehouding onderweg was naar een klus van verdachte in een plaats waarvan hij de naam niet kent, dat hij sinds een maand werkzaam was voor verdachte en dat hij zowel contante betalingen als bankstortingen van verdachte had ontvangen.
[persoon 6] heeft verklaard dat hij op het moment van verhoor (rechtbank: 27 november 2024) 10 dagen in Nederland was en dat hij voor verdachte werkte. Verdachte haalde hem met de auto op en bracht hem naar de klus. Verdachte betaalde hem contant. Ook [persoon 7] heeft verklaard dat hij voor verdachte werkte.
De KMar heeft vastgesteld dat zowel [persoon 4] als [persoon 6] en [persoon 7] geen rechtmatig verblijf in Nederland hebben.
Het oordeel van de rechtbank
Voor een veroordeling van het misdrijf van artikel 197a, tweede lid, Sr (kort gezegd: mensensmokkel) is vereist dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte uit winstbejag een ander behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, of hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, terwijl hij wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was. Als de verdachte hier een beroep of gewoonte van heeft gemaakt of wanneer de verdachte tezamen en in vereniging met één of meer anderen heeft gehandeld, werkt dat strafverhogend.
Artikel 197b Sr stelt strafbaar om iemand die illegaal in Nederland verblijft, krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid te laten verrichten. Op grond van artikel 12 eerste lid onder c van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 2 van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) vervalt het verblijfsrecht of recht op oponthoud in Nederland als er voor een werkgever wordt gewerkt.
Wederrechtelijk verblijf
De verdediging heeft betoogd dat [persoon 4] legaal in Nederland verbleef en heeft daarbij gewezen op een mutatie van de KMar van 8 mei 2024, waarin werd geconstateerd dat [persoon 4] “legaal was”. De rechtbank overweegt dat dit zag op het verblijf van [persoon 4] in Nederland. Met een Pools verblijfsdocument mag men immers – al dan niet tijdelijk – in Nederland verblijven. Uit de mutatie blijkt echter niet dat de KMar tijdens die controle al signalen had gekregen dat [persoon 4] in Nederland werkte. Pas tijdens de controle op 23 augustus 2024, toen [persoon 4] in een werkbus werd aangetroffen terwijl hij werkkleding droeg en desgevraagd antwoordde dat hij voor verdachte werkte, constateerde de KMar dat hij in Nederland werkzaam was en (daardoor) geen rechtmatig verblijf in Nederland had.
De rechtbank overweegt dat gelet op het vorenstaande en de eerder in dit vonnis aangehaalde bewijsmiddelen, [persoon 4] , [persoon 6] en [persoon 7] , niet beschikten over een verblijfsvergunning of verblijfsrecht op grond waarvan zij rechtmatig in Nederland verbleven en ook arbeid mochten verrichten zoals zij (in het geval van [persoon 6] en [persoon 7] met de ‘werkzaamheden op proef’) deden. Gelet daarop was hun verblijf in Nederland naar het oordeel van de rechtbank wederrechtelijk.
Behulpzaam zijn bij het verschaffen van verblijf
Bij het ‘behulpzaam zijn’ gaat het er onder meer om of verdachte het verblijf van de vreemdelingen in Nederland in enigerlei opzicht heeft bevorderd of gemakkelijk gemaakt. Door [persoon 4] , [persoon 6] en [persoon 7] in Nederland tegen betaling werkzaamheden te laten verrichten, heeft verdachte hen gelegenheid en middelen (geld) verschaft om in Nederland te kunnen verblijven. Hiermee heeft verdachte hun verblijf bevorderd en vergemakkelijkt en is hij dus behulpzaam geweest bij het verschaffen van illegaal verblijf in Nederland.
Wetenschap of ernstige redenen te vermoeden wederrechtelijk verblijf
De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte wist, of ernstige redenen had te vermoeden, dat het verblijf van [persoon 4] , [persoon 6] en [persoon 7] wederrechtelijk was.
Ten aanzien van [persoon 4] overweegt de rechtbank dat verdachte de Poolse verblijfsvergunning, Nederlandse BSN en inschrijving in de BRP van [persoon 4] heeft gezien. Hij is ervan uitgegaan dat dit voldoende was om [persoon 4] legaal in Nederland te laten werken. Hij heeft zich er echter niet van vergewist of dit daadwerkelijk voldoende was. Voor wat betreft [persoon 6] en [persoon 7] geldt dat verdachte nog geen enkel document had gecontroleerd toen hij hen aan het werk zette. Dat het om ‘proef’ werk ging, doet daar niet aan af.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van het procesdossier niet vastgesteld kan worden dat bij verdachte sprake was van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het illegaal tewerkstellen van [persoon 4] , [persoon 6] en [persoon 7] . Echter, de rechtbank overweegt dat van hem, als werkgever, wel moet worden verwacht dat hij regelt dat hij zijn zaken goed op orde heeft en dat op hem een onderzoeksplicht rust om te verzekeren dat zijn werknemers over alle juiste papieren beschikken. Aan die onderzoeksplicht heeft verdachte niet voldaan. De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat verdachte ernstige redenen had om te vermoeden dat [persoon 4] , [persoon 6] en [persoon 7] niet in Nederland mochten werken.
Winstbejag
Van winstbejag is sprake als de handeling gericht is op verrijking, daadwerkelijke verrijking is niet vereist. Verdachte betaalde in elk geval een deel van het loon contant uit, waardoor verplichte loonheffingen en werkgeverslasten zijn uitgespaard. Het inzetten van illegale arbeidskrachten valt naar het oordeel van de rechtbank onder ‘winstbejag’ als bedoeld in artikel 197a lid 2 Sr.
Partiële vrijspraak
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat verdachte [persoon 4] , [persoon 6] en [persoon 7] onderdak heeft verschaft of met anderen contact heeft gehad om hen aan een werk- of verblijfplaats te helpen. Van die onderdelen van de tenlastelegging zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij de feiten samen met een of meer anderen zou hebben gepleegd. Daarvoor ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten. Verdachte zal daarom van dat onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
Dat verdachte een beroep gewoonte heeft gemaakt van het ten laste gelegde feit kan naar het oordeel van de rechtbank ook niet wettig en overtuigend worden bewezen, nu geen sprake was van een structureel karakter van de illegale tewerkstelling, zodat de rechtbank verdachte (ook) daarvan partieel zal vrijspreken.
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de tenlastegelegde periode [persoon 4] , [persoon 6] en [persoon 7] arbeid heeft doen verrichten en deze personen uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en hen daartoe gelegenheid en middelen heeft verschaft, terwijl hij ernstige reden had om te vermoeden dat het verblijf wederrechtelijk was.