ECLI:NL:RBGEL:2026:6146
Rechtbank Gelderland
- Uitspraak
- 28 juli 2026
- Zaaknummer
- 16/142390-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie
Man veroordeeld wegens mishandeling van zijn echtgenote in hun woning, door haar op haar kaak te slaan en meerdere keren te duwen waardoor zij op de grond viel. Het beroep op noodweer(exces) slaagt niet. De rechtbank houdt er in strafmatigende zin rekening mee dat er tussen de man en zijn echtgenote een worsteling heeft plaatsgevonden, waarbij ook hij verwondingen opliep. Hij krijgt een taakstraf van 60 uren.
Uitspraak
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 10 mei 2025 te Utrecht,zijn echtgenote, [slachtoffer] ,heeft mishandeld door- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, op haar kaak en/of in het gezicht te slaan en/of te stoten;- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, te duwen, waardoor zij ten val isgekomen.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van zijn echtgenote.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft, kort samengevat, primair bepleit dat het opzet op de mishandeling van de echtgenote, al dan niet in voorwaardelijke zin, ontbreekt. De in de tenlastelegging genoemde handelingen moeten geduid worden als afweerbewegingen en uit de uiterlijke verschijningsvorm kan niet worden afgeleid dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard om zijn echtgenote pijn en/of letsel toe te brengen. Om die reden dient vrijspraak te volgen.
Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat vrijspraak dient te volgen, omdat de wederrechtelijkheid ontbreekt wegens een voldoende aannemelijk geworden noodweersituatie. Meer subsidiair is sprake van noodweerexces en dient ontslag van alle rechtsvervolging plaats te vinden.
De beoordeling van de rechtbank
Op zaterdag 10 mei 2025 om 02:33 uur komt bij de meldkamer van de politie Utrecht, via 112, een melding binnen van een mishandeling. De melding is gedaan door de echtgenote van verdachte. Vanuit de meldkamer ambulance (waar de oorspronkelijke melding is binnengekomen) is met de meldkamer politie gedeeld dat de vrouw aan de lijn erg emotioneel is en haar kiezen niet meer op elkaar kan krijgen. Zij is in elkaar geslagen door haar echtgenoot en er zijn kinderen in huis. Ze wil dat de politie komt.
Na de 112-melding zijn verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ter plaatse gegaan, naar [adres] te Utrecht, het woonadres van verdachte en de echtgenote van verdachte, mevrouw [slachtoffer] (hierna: meldster). [verbalisant 1] zag dat meldster door een grote poort kwam lopen, met twee jonge kinderen. Hij zag dat zij emotioneel waren en trilden. Hij zag bij meldster zichtbaar letsel op haar gezicht, waaronder meerdere krassen en een kleine zwelling op haar rechterkaak. Hij zag tranen in haar ogen. Hij hoorde haar verklaren: “Hij heeft mijn kaak gebroken. Hij heeft al eens eerder iets gebroken bij mij. (…) Ik ben over zijn grens gegaan. (…) Ik had al veel eerder aangifte moeten doen. (…) Ik wil niet dat jullie naar hem toegaan, dan wordt hij boos, ik wil zijn imago niet beschadigen.” [verbalisant 1] zag meerdere sneeën op haar armen en hij zag op haar linker biceps een blauwe plek van 2 bij 2 centimeter.
Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] zijn eveneens ter plaatse gegaan. [verbalisant 3] hoorde meldster zeggen dat zij zojuist was geslagen door haar man. Hij zag dat zij een dikke bult op haar rechterwang had. Hij hoorde dat zij moeilijk kon praten. [verbalisant 4] zag tranen in de ogen van meldster en een iets gezwollen kaak. Hij hoorde haar zeggen dat ze haar kaak en kiezen niet op elkaar kon zetten, omdat zij zo hard door haar man was geslagen.
Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] hebben vervolgens met verdachte in de woning gesproken. [verbalisant 3] zag dat verdachte krassen en een wond in zijn gezicht had. Hij zag dat het t-shirt van verdachte bij zijn borstkas kapot was en dat hij meerdere krassen had op zijn borstkas, elleboog en armen. Verdachte verklaarde onder meer dat hij en meldster in een worsteling terecht waren gekomen en dat hij haar, tijdens het afweren van klappen en het krabben, mogelijk heeft geraakt op haar schouder en/of gezicht. Verdachte verklaarde dat meldster een houten kastje naar hem toe had gesmeten, dat hij naar beneden is gegaan om de woning te verlaten, dat zij aan zijn kleding trok bij het naar buiten gaan en dat zij binnen agressief bleef. Toen hij weer naar binnen ging, heeft hij haar daarom een zwieper gegeven in de hal en daarbij haar schouder en mogelijk haar gezicht geraakt. Tijdens zijn verhoor bij de politie heeft verdachte verklaard dat er een discussie tussen hem en meldster ontstond en dat hij boos werd nadat zij hem sloeg en krabde. Hij duwde haar toen weg, waardoor zij omviel. Net buiten de voordeur pakte meldster hem weer beet en probeerde hij haar weg te duwen, waardoor zij nog een keer op de grond viel. Verdachte was toen ook echt heel boos. Toen ze net binnen waren, viel meldster hem weer aan. Verdachte maakte toen wilde bewegingen om los te komen en raakte haar met zijn arm op haar kaak.
Verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] zijn op 10 mei 2025 overdag langs geweest bij meldster om met haar te spreken. Zij hoorden meldster zeggen dat zij geen aangifte wilde doen en dat er uiteindelijk tussen haar en verdachte een worsteling begon.
In een brief aan de huisarts, afkomstig van de arts [arts] van de spoedeisende hulp van het Diakonessenhuis staat onder meer:
“Vanavond tijdens ruzie door partner mishandeld. Meerdere keren op de linkerzijde van het
aangezicht geslagen, vastgepakt en op de grond gesmeten. Hierbij ook met het hoofd op de grond terecht gekomen.
Geeft met name pijn aan ter plaatse van de kaakkop links, moeite met openen van de mond. Zelf het idee dat kaak niet goed sluit.
Daarnaast ook pijn links supra orbitaal. Nu ook hoofdpijn, misselijk (…)”.
Ten aanzien van het vastgestelde letsel is het volgende opgenomen in het medische verslag:
“multipele verwondingen van het aangezicht.
Secondary survey:
Hoofd/hals: enkele oppervlakkige larceraties over os frontale, hematoom links supraorbitaal, zwelling
ter plaatse van kaakkopje, geen bloed/vocht uit neus/oren, drukpijntpv orbitaranden links, zygoma links, mandibula en kaakkopjes links. Malocclusie.
Bovenste extremiteiten: meerdere oppervlakkige schaafwonden en donkere vegen over de onderarm
4 lg, hematoom distale bovenarm 5x5 cm.”
Het oordeel van de rechtbank
Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn echtgenote meermalen heeft geduwd waardoor zij ten val is gekomen en dat hij haar heeft geslagen op haar kaak, waardoor zij pijn en letsel heeft opgelopen.
De verdediging heeft aangevoerd dat zijn gedragingen niet gericht waren op het toebrengen van pijn of letsel, dat verdachte enkel heeft getracht zich af te weren en dat derhalve geen sprake was van (voorwaardelijk) opzet bij verdachte. De rechtbank overweegt dat dergelijke gedragingen (meermaals duwen waarbij meldster ten val is gekomen en slaan) naar hun aard gericht zijn op het toebrengen van pijn dan wel letsel. Middels zijn gedragingen heeft verdachte dan ook bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat pijn dan wel letsel aan het lichaam van zijn echtgenote werd toegebracht. Voorwaardelijk opzet op het toebrengen van pijn dan wel letsel is daarmee gegeven.
Het beroep op noodweer
De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De verdediging heeft aangevoerd dat de wederrechtelijkheid ontbreekt aangezien een noodweersituatie voldoende aannemelijk is geworden en dat daarom vrijspraak dient te volgen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake was van een noodweersituatie.
De rechtbank oordeelt als volgt. Vooropgesteld dient te worden dat van noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid Sr, sprake is indien het strafbare handelen van de verdachte geboden was door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of de onmiddellijke dreiging daarvan. Hierin ligt besloten dat de verdedigingshandeling(en) moet voldoen aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
In het begrip ‘mishandeling’ als bedoeld in artikel 300 Sr ligt de wederrechtelijkheid van de gedraging besloten. In het geval een beroep op noodweer, zijnde een rechtvaardigingsgrond, slaagt, ontvalt de wederrechtelijkheid aan de tenlastegelegde gedraging en moet de verdachte van het tenlastegelegde worden vrijgesproken.
Bij de beoordeling van de feitelijke grondslag van het beroep op noodweer gaat het er om dat de feitelijke toedracht, gelet op wat daarover door de verdediging is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden.
In het kader van die beoordeling stelt de rechtbank, onder verwijzing naar voorgaande bewijsoverwegingen, vast dat verdachte zijn echtgenote meermalen, op verschillende momenten, heeft geduwd waardoor zij ten val is gekomen en dat hij haar vervolgens heeft geslagen op haar kaak. Zowel verdachte als zijn echtgenote hebben verklaard dat zij in een worsteling terecht zijn gekomen. Dit past ook bij het vastgestelde letsel bij verdachte, dat bestaat uit meerdere krassen en wondjes, en zijn gescheurde kleding.
De verdediging heeft ter zake van de feitelijke toedracht in het licht van de gestelde noodweersituatie aangevoerd dat verdachte uitsluitend afwerende handelingen heeft verricht ter verdediging tegen aanvallen van zijn echtgenote die zij steeds initieerde. Deze lezing volgt enkel uit de verklaringen van verdachte. De rechtbank heeft verdachte daarover, vanwege zijn afwezigheid op zitting, niet nader kunnen bevragen en zijn verklaring vindt geen steun in andere bewijsmiddelen. Tegenover voornoemde feiten en omstandigheden en zonder verdere aanknopingspunten in het dossier die de lezing van de verdediging ondersteunen, acht de rechtbank het onvoldoende aannemelijk dat verdachte telkens vanuit een noodweersituatie zijn echtgenote op verschillende momenten heeft geduwd waardoor zij ten val is gekomen en haar heeft geslagen op haar kaak.
De aangevoerde feitelijke toedracht is dan ook niet aannemelijk geworden. Daarom zal het beroep op noodweer worden verworpen.
De verdediging heeft meer subsidiair een beroep gedaan op noodweerexces en geconcludeerd tot ontslag van alle rechtsvervolging. De rechtbank heeft hiervoor de feitelijke toedracht die aan de gestelde noodweersituatie ten grondslag is gelegd onaannemelijk geacht. Om die reden faalt het beroep op noodweerexces, dat is gestoeld op dezelfde feitelijke toedracht, eveneens.
Conclusie
Op grond van voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend is bewezen.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.