ECLI:NL:RBGEL:2026:6153
Rechtbank Gelderland
- Uitspraak
- 4 juni 2026
- Zaaknummer
- 05-053264-25 + 05-297495-23 (tul) + 05-232821-24 (tul)
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie
Veroordeling voor medeplegen van mishandeling. De rechtbank legt op een taakstraf van 30 uur.
Uitspraak
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 26 januari 2025 te Zutphen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s)
voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal, met een hamer, althans een hard voorwerp, tegen en/of in de richting van het hoofd en/of de schouder, althans het lichaam, van die [aangever] hebben/heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op of omstreeks 26 januari 2025 te Zutphen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, [aangever] heeft mishandeld door
- meermalen, althans eenmaal, (terwijl die [aangever] op de grond lag) een deur tegen het been van die [aangever] te duwen en/of
- meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd en/of het lichaam van die [aangever] te slaan en/of te stompen en/of
- meermalen, althans eenmaal, met een hamer, althans een hard voorwerp tegen/of in de richting van het hoofd en/of de schouder, althans het lichaam, van die [aangever] te slaan.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan beide tenlastegelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 primair bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat de verklaring van aangever niet kan worden gebruikt voor het bewijs. Subsidiair dient verdachte vrijgesproken te worden, vanwege het ontbreken van steunbewijs. Meer subsidiair dient verdachte vrijgesproken te worden vanwege het ontbreken van overtuigend bewijs.
Ten aanzien van feit 2 dient verdachte te worden vrijgesproken van het onderdeel dat ziet op het slaan met een hard voorwerp tegen/in de richting van het hoofd/schouder van aangever en het bestanddeel dat ziet op het in vereniging plegen. Voor het slaan met het harde voorwerp is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Ten aanzien van het in vereniging plegen, is er geen bewijs van een nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte] .
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1 en feit 2
De rechtbank merkt allereerst op dat feit 1 en feit 2 een grote overlap hebben ten aanzien van de handelingen die ten laste zijn gelegd. Om die reden zal de rechtbank de feiten gezamenlijk behandelen.
Aangever [aangever] heeft verklaard dat hij op 26 januari 2025 in zijn woning in Zutphen was toen er werd aangebeld door iemand die aangaf [naam] te zijn. Aangever heeft vervolgens de deur op een kier geopend. [verdachte] zei op agressieve toon dat hij voor het geld kwam. Aangever voelde dat [verdachte] met kracht tegen de deur duwde. Aangever probeerde de deur voor hem te sluiten, maar zijn rechterbeen zat nog tussen de deur. Hij hoorde [verdachte] tegen een vrouw zeggen dat zij hem moest helpen om de deur te openen. Hij voelde dat zij beiden tegen de deur duwden. Op een gegeven moment waren [verdachte] en aangever in een worsteling verwikkeld, waarbij zij beiden een hamer vast hadden. Aangever zag dat de vrouw die bij [verdachte] was tegen de deur duwde toen zijn been nog tussen de deur en het kozijn zat. Hij voelde een hevige pijn in zijn been doordat er tegen de deur werd geduwd. Tegen de agenten die ter plaatse waren gekomen, heeft aangever verklaard dat [verdachte] en zijn vriendin ineens voor zijn woning stonden. Beiden hebben aangever geslagen. De aanwezige agenten zagen dat aangever letsel had aan de rechterzijde van zijn hoofd ter hoogte van zijn slaap. Daarnaast zat er een schaafplek op een van zijn benen.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bij de woning van aangever is geweest. Er is een worsteling ontstaan, waarbij ook zijn vriendin aanwezig was.
Onder feit 1 is een poging zware mishandeling ten laste gelegd doordat verdachte aangever zou hebben geslagen met een hamer. Aangever heeft verklaard dat hij ineens een enorme pijnscheut in zijn schouder en rechterkant van zijn nek, begin van zijn schedel, voelde. Hij vermoedt dat [verdachte] hem op dat moment met een hamer heeft geslagen. Op basis van het dossier kan de rechtbank echter niet vaststellen dat aangever is geslagen met een hamer. Een enkel vermoeden, zoals aangever in zijn aangifte heeft verklaard, is hiervoor naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Ook het bij aangever geconstateerde letsel leidt niet zonder meer tot die conclusie. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van feit 1.
Onder feit 2 wordt verdachte verweten dat hij aangever samen met een ander heeft mishandeld door met een deur tegen het been van aangever te duwen, aangever te slaan en met een hamer tegen het hoofd en/of schouder te slaan. Op grond van de bovengenoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] samen aangever hebben mishandeld door zijn been tussen de deur te duwen en door hem te slaan op zijn schouder en zijn hoofd. Naar het oordeel van de rechtbank wordt de verklaring van aangever voldoende ondersteund door het letsel op het been en op het hoofd van aangever, dat is waargenomen door de agenten die ter plaatse waren en de verklaring van verdachte dat er een worsteling heeft plaatsgevonden. Gelet op hetgeen de rechtbank eerder heeft overwogen ten aanzien van feit 1, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het onderdeel dat ziet op het slaan met de hamer. De rechtbank zal verdachte eveneens vrijspreken van de zinsnede ‘terwijl die [aangever] op de grond lag’, nu dit niet blijkt uit het dossier.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.