Naar hoofdinhoud

ECLI:NL:RBMNE:2024:4005

Rechtbank Midden-Nederland

Uitspraak
2 juli 2024
Zaaknummer
10/151231-23 (bevoegdheid)
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig

Inhoudsindicatie

Blauwe Kamer-zaak. Sinds juli 2022 is de rechtbank Midden Nederland als enige rechtbank bevoegd om zaken te berechten waarbij politieagenten als verdachten worden aangemerkt wegens het toepassen van geweld tijdens hun werk. Voor andere delicten die agenten kunnen begaan tijdens hun werk zijn ook de andere rechtbanken bevoegd. Op 2 juli 2024 heeft deze zogeheten blauwe kamer van de rechtbank Midden Nederland zich onbevoegd verklaard in een zaak waar aan de verdachte in de kern het verwijt werd gemaakt dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van zijn gezag als politieagent door een ander te dwingen op zijn rug te gaan liggen, en daarbij te dreigen met een geweldmiddel, namelijk met een stroomstootwapen. Met betrekking tot de bevoegdheid van deze rechtbank is daarbij de vraag gerezen of dreigen met een stroomstootwapen valt onder ‘het in de uitoefening van zijn functie gebruiken van geweld’ zoals bepaald in artikel 2, 2e lid 3 Sv, waarin de bevoegdheid van de blauwe kamer is geregeld. Met andere woorden of een dergelijk gebruik van een stroomstootwapen valt aan te merken als het gebruiken van geweld. Nu uit de bewoordingen van artikel 2, 2e lid 3 Sv, dit niet expliciet blijkt heeft de rechtbank bij de beantwoording van deze vraag allereerst gekeken naar de parlementaire geschiedenis van (verkort aangeduid) de Wet geweldsaanwending opsporingsambtenaar. Hierbij is getracht duidelijkheid te verkrijgen over hetgeen de wetgever voor ogen heeft gehad. De rechtbank concludeert dat de parlementaire geschiedenis hierover geen uitsluitsel geeft. Vervolgens heeft de rechtbank voor het beantwoorden van de bevoegdheidsvraag en nadere duiding van het begrip ‘geweld’ gekeken naar de definitie van ‘geweld’ en de definitie van het ‘aanwenden van geweld’ en de ontwikkeling van deze begrippen in de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren. Uit de parlementaire geschiedenis van deze begrippen blijkt dat het dreigen met geweld noch onder de definitie van geweld als bedoeld in artikel 1, vierde lid onder b, noch onder het aanwenden van geweld als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder c van de huidige Ambtsinstructie valt, gelet op de definities en de daarop gegeven toelichting in diverse Nota’s van Toelichting. Bij geweld in de zin van de Ambtsinstructie moet het gaan om fysiek geweld (al dan niet via een geweldmiddel) uitgeoefend op personen of zaken, waarvan in geval van dreigen met geweld geen sprake is. De uitzondering hierbij is het ter hand nemen van een vuurwapen en/of deze richten en/of gericht te houden, hetgeen valt onder het aanwenden van geweld. De conclusie van de rechtbank luidt dat de vraag of bij de uitleg van het begrip geweld in artikel 2, 2e derde lid, Sv een andere (ruimere) definitie van geweld moet worden gehanteerd dan in de Ambtsinstructie, zoals hiervoor overwogen, door de wetgever niet is beantwoord. De parlementaire geschiedenis van de Wet geweldaanwending opsporingsambtenaren biedt naar het oordeel van de rechtbank, los van de vraag naar de wenselijkheid daarvan, geen aanknopingspunten voor het ruimer interpreteren van het begrip ‘geweld’ dan de Ambtsinstructie. Bovendien valt ten aanzien van andere geweldmiddelen dan het vuurwapen het dreigen met geweld sinds 2020 niet langer onder het aanwenden van geweld. Bij die stand van zaken en mede in acht genomen dat de wetgever zich blijkens de Wet geweldaanwending opsporingsambtenaren niet expliciet heeft uitgelaten over de reikwijdte van het begrip geweld, strekt het te ver om ten aanzien van het begrip geweld in artikel 2, 2e lid 3, Sv een andere (ruimere) definitie van geweld te hanteren. Op grond van het voorgaande verklaart de rechtbank zich onbevoegd en verwijst de zaak terug naar de rechtbank Rotterdam.

Uitspraak

Lees de hele uitspraak met een gratis account

Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.