ECLI:NL:RBMNE:2026:4063
Rechtbank Midden-Nederland
- Uitspraak
- 8 juli 2026
- Zaaknummer
- 16-317678-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie
Verdenking wederrechtelijke vrijheidsberoving en (zware) mishandeling. In oktober 2024 wordt de aangever met een smoes naar een woning in Almere gelokt, waar hij door drie verdachten tegen zijn wil zou zijn vastgehouden. Twee van de verdachten worden er daarnaast van beschuldigd te hebben geprobeerd de aangever zwaar te mishandelen althans te mishandelen door meerdere geweldshandelingen uit te voeren. De rechtbank oordeelt dat alle drie de verdachten gezamenlijk hebben gehandeld bij de wederrechtelijke vrijheidsberoving. De rechtbank oordeelt dat twee van de verdachten worden vrijgesproken van de poging tot zware mishandeling, maar veroordeelt hen voor de subsidiair ten laste gelegde mishandeling van de aangever. De rechtbank legt aan twee van de drie verdachten een gevangenisstraf van 6 maanden op, met aftrek van het voorarrest. De derde verdachte krijgt een taakstraf van 200 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden, nu haar aandeel in de bewezenverklaarde vrijheidsberoving beperkter is geweest. De vordering van de benadeelde partij wordt deels en hoofdelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 23.195,85.
Uitspraak
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.