ECLI:NL:RBNNE:2026:2966
Rechtbank Noord-Nederland
- Uitspraak
- 21 juli 2026
- Zaaknummer
- 18.352872.25
- Rechtsgebied
- Strafrecht; Materieel strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak
Inhoudsindicatie
Veroordeling voor een poging tot gijzeling, belaging, bedreiging, vernieling en verboden wapenbezit tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Ook legt de rechtbank aan verdachte op de maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht.
Uitspraak
1 [slachtoffer 1], tot een bedrag van 20.860,14 ter zake van materiële schade en
3.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
2. [ [slachtoffer 2], tot een bedrag van 3.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde
3. [ [slachtoffer 5] , wettelijk vertegenwoordigd door [naam] , h.o.d.n. [organisatie]
, in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [slachtoffer 5] , tot een bedrag van 248,78 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
Vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1]
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voldoende is onderbouwd en in zijn geheel voor toewijzing vatbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Volgens de officier van justitie betreft de gevorderde schadevergoeding schade die rechtstreeks door het onder 1 primair ten laste gelegde is toegebracht.
Vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2]
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , gelet op de aard en ernst van de normschending en bedragen die blijkens de Rotterdamse schaal in soortgelijke gevallen zijn toegekend, voldoende is onderbouwd en in zijn geheel voor toewijzing vatbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Vordering van benadeelde partij [slachtoffer 5]
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] voldoende is onderbouwd met fotos van de schade en een factuur van reparatie en derhalve voor toewijzing vatbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
Vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1]
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het toe te wijzen bedrag aan immateriële schadevergoeding dient te worden gematigd, gelet op de korte tijdsduur waarin het strafbare feit zich heeft afgespeeld en gelet op het feit dat het strafbare feit niet is voltooid.
Ten aanzien van de gevorderde materiële schade heeft de raadsvrouw het volgende aangevoerd. Het causale verband tussen de schade aan de telefoon en het handelen van verdachte is niet aangetoond, reden waarom dit deel van de vordering dient te worden afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding als gevolg van inkomstenderving en studievertraging heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de vordering vragen oproept, niet eenvoudig van aard is en derhalve een onevenredige belasting van het strafgeding vormt. De vordering dient naar het oordeel van de raadsvrouw in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2]
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] dient te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de benadeelde partij vrijwel direct de winkel heeft kunnen verlaten en in een te ver verwijderd verband staat tot hetgeen zich in de winkel heeft afgespeeld. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het toe te wijzen bedrag aan immateriële schadevergoeding fors dient te worden gematigd.
Vordering van benadeelde partij [slachtoffer 5]
De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] .
Oordeel van de rechtbank
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Materiële schade
Schade telefoon
Naar het oordeel van de rechtbank is uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de schade aan de telefoon van de benadeelde partij rechtstreeks is toegebracht door het onder 1 primair bewezen verklaarde. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in zoverre in de vordering niet ontvankelijk verklaren.
Gederfde inkomsten
De benadeelde partij heeft daarnaast vergoeding van gederfd inkomen gevorderd. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende onderbouwd dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde arbeidsongeschikt is geraakt en per 2 februari 2026 vanuit de Ziektewet 70 procent van het vastgestelde loon vergoed krijgt. Uitgaand van het berekende nettoloon dat niet vanuit de Ziektewet wordt gedekt, te weten 362,22 per maand, zal de rechtbank de gevorderde inkomstenderving voor de periode van 1 februari 2026 tot en met 31 juli 2026 toewijzen. De rechtbank wijst aan inkomstenderving derhalve toe een bedrag van 2.173,32.
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde gederfde inkomsten, voor zover deze betrekking hebben op de periode ná 31 juli 2026, toekomstige schade betreffen, waarvan onvoldoende vaststaat dat deze schade daadwerkelijk zal worden geleden. De rechtbank zal dit deel van de gevorderde schade aan inkomstenderving dan ook niet-ontvankelijk verklaren.
Studievertraging en collegegeld
De benadeelde partij stelt voorts dat hij, als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde, zes maanden studievertraging heeft opgelopen. Voor de bepaling van de omvang van de schade heeft de
benadeelde partij aansluiting gezocht bij de Letselschade Richtlijn Studievertraging. Hieruit volgt dat onder schade wegens studievertraging wordt verstaan de schade die optreedt doordat een benadeelde later op de arbeidsmarkt actief zal zijn. In het geval van zes maanden studievertraging op een hogeschool is een bedrag van 13.762,50 geïndiceerd. Voorts vordert de benadeelde partij vergoeding van het wettelijk collegegeld, welke als gevolg van de zes maanden studievertraging extra bij de benadeelde partij in rekening is gebracht ad 1.796,00.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende onderbouwt dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde gedurende een periode van zes maanden studievertraging heeft opgelopen. Voor de bepaling van de omvang van de schade zal de rechtbank eveneens aansluiting zoeken bij de Letselschade Richtlijn Studievertraging. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de gevorderde schade als gevolg van de studievertraging, groot 13.762,50, en de gevorderde schade bestaande uit betaald collegegeld, groot
1.796,00, in zijn geheel toewijzen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft daarnaast vergoeding van immateriële schade gevorderd. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aard en ernst van het onder 1 primair bewezen verklaarde zodanig dat deze meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen dat de aantasting in van de persoon kan worden aangenomen. Anders dan de raadsvrouw ziet de rechtbank geen aanleiding het toe te wijzen bedrag aan immateriële schadevergoeding te matigen. De vordering zal in zoverre dan ook worden toegewezen.
De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] derhalve toe tot een bedrag van in totaal 20.731,82, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit 17.731,82 aan materiële schade en 3.000,00 aan immateriële schade. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] zal voor het overige niet ontvankelijk worden verklaard.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij heeft vergoeding van immateriële schade gevorderd ad 3.000,00. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aard en de ernst van het onder 1 primair bewezen verklaarde zodanig dat deze meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen dat de aantasting van de persoon kan worden aangenomen. Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank derhalve van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezen verklaarde. De rechtbank ziet echter wel aanleiding om het gevorderde bedrag te matigen en heeft daarbij mede gelet op bedragen die in vergelijkbare zaken plegen te worden toegewezen. Gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex
artikel 6:97 BW schat de rechtbank de hoogte van de geleden immateriële schade op 1.000,00. De rechtbank zal de gevorderde immateriële schadevergoeding tot dit bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaren.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] zoals ingediend door [naam] , h.o.d.n. [organisatie] , in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [slachtoffer 5]
De benadeelde partij heeft vergoeding van materiële schade gevorderd ad 248,78. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 4 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door de verdediging is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 9 februari 2026 en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Beslag
De rechtbank verklaart verbeurd het in beslag genomen voorwerp, te weten een vuurwapen (alarmpistool), merk: Target Sports Kinar (goednummer: PL0100-2025350746-1899102).
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 38v, 38w, 45, 57, 282a, 285, 285b en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 27 en 54 van de Wet wapens en munitie. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 5 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 6 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 12 (twaalf) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 (drie) jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd:
dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor het maken van de eerste afspraak neemt de veroordeelde binnen vier dagen na het ingaan van de proeftijd telefonisch contact op met Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, telefoonnummer: [telefoonnummer 2] ;
dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van Ambulante Forensische Psychiatrische Behandeling (AFPB) of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven en zolang de reclassering de behandeling nodig vindt;
dat de veroordeelde gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen, te bepalen door de reclassering. De veroordeelde zal zich houden aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft
opgesteld;
4. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met [slachtoffer 5] , geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] ;
5. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet bevindt in de straat [adres] te Emmen;
6. dat de veroordeelde gedurende proeftijd zal meewerken aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen. De veroordeelde zal de reclassering inzicht geven in zijn financiën en schulden;
7. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zal meewerken aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. De controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, een ademonderzoek of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
De maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 5 (vijf) jaren zich niet zal ophouden in de straat [adres] te Emmen.
De maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 5 (vijf) jaren op geen enkele wijze -direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 5] , geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] .
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregelen wordt voldaan. De duur van de vervangende hechtenis bedraagt 14 (veertien) dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 (zes) maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregelen niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn.
Vorderingen van de benadeelde partijen
Ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 1] te betalen:
het bedrag van 20.731,82 (zegge: twintigduizend zevenhonderdeenendertig euro en tweeëntachtig eurocent);
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 december 2025 tot de dag van algehele voldoening;
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 20.731,82 (zegge: twintigduizend zevenhonderdeenendertig euro en tweeëntachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 december 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 17.731,82 aan materiële schade en
3.000,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 127 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 2] te betalen:
het bedrag van 1.000,00 (zegge: duizend euro);
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 december 2025 tot de dag van algehele voldoening;
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.000,00 (zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 december 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 10 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] , zoals ingediend door [naam] , h.o.d.n. [organisatie] , in hoedanigheid van bewindvoerder, toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 5] te betalen:
het bedrag van 248,78 (zegge: tweehonderdachtenveertig euro en achtenzeventig eurocent);
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 februari 2026 tot de dag van algehele voldoening;
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 5] aan de Staat te betalen een bedrag van 248,78 (zegge: tweehonderdachtenveertig euro en achtenzeventig
eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2026 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 2 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Beslag
Verklaart verbeurd het in beslag genomen voorwerp, te weten een vuurwapen (alarmpistool), merk: Target Sports Kinar (goednummer: PL0100-2025350746-1899102).
Dit vonnis is gewezen door mr. G. Eelsing, voorzitter, mr. L.M.B. Soppe en mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door mr. M. Mans, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 juli 2026.
Mr. E.P. van Sloten is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.