ECLI:NL:RBNNE:2026:3527
Rechtbank Noord-Nederland
- Uitspraak
- 20 augustus 2026
- Zaaknummer
- 18.041661.25 ontneming
- Rechtsgebied
- Strafrecht; Materieel strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak
Inhoudsindicatie
Vordering is afgewezen.
Uitspraak
Procesverloop
De officier van justitie heeft op 13 juli 2026 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 54.085,20 ter ontneming van het in de zaak met parketnummer 18.041661.25 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 6 augustus 2026. Hierbij waren aanwezig de officier van justitie, mr. D.P. Menting, veroordeelde en zijn raadsman,
mr. P.Th. van Jaarsveld.
Beoordeling
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter zitting gevorderd dat de vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen, omdat in de voordeelsberekening niet duidelijk is wat de productie van PMK-olie heeft opgeleverd noch hoe hoog de kosten zijn die daarop in mindering moeten worden gebracht, waardoor de hoogte van het voordeel niet kan worden vastgesteld.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair bepleit de vordering ontneming wederrechtelijk voordeel af te wijzen, omdat niet kan worden bewezen dat het proces om PMK-olie te maken is gelukt, hetgeen door de verdediging wordt betwist. Daarnaast blijkt uit het dossier niet dat de PMK-olie is omgezet in MDMA, dat ook al deze MDMA aan afnemers is verkocht en dat veroordeelde een deel van de opbrengst heeft ontvangen.
Subsidiair heeft de raadsman bepleit om enkel uit te gaan van de opbrengst van PMK-olie en ervanuit te gaan dat veroordeelde hiervan de helft heeft ontvangen, te weten 1.525,95.
Oordeel rechtbank
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 20 augustus 2026 in de zaak met parketnummer 18.041661.25 veroordeeld ter zake van het medeplegen van een feit als bedoeld in het vierde lid van artikel 10, te weten het vervaardigen van MDMA voorbereiden door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit. De rechtbank heeft in het vonnis bewezenverklaard dat veroordeelde betrokken is geweest bij de eerste fase van het proces om MDMA te vervaardigen, te weten de conversiefase. Hierbij wordt het preprecursor (PMK-Glycidaat) omgezet naar een precursor (PMK-olie).
Door de politie is een berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gemaakt waarbij als uitgangspunt is genomen twee lege preprecursor zakken van elk 25 kilo Ethylester van PMK-glycidezuur. Hier zou vermoedelijk 30 liter PMK-olie mee zijn vervaardigd en hieruit kan circa 36 kilo MDMA-HCL, oftewel een aantal van 360.000 pillen met MDMA-HCL worden verkregen. De voordeelsberekening gaat uit van de opbrengst van deze hoeveelheid MDMA-HCL. Bij de kosten wordt bij de zogenaamde hardware uitgegaan van de kosten voor het vervaardigen van PMK-olie en niet voor MDMA-HCL.
Daargelaten de vraag of veroordeelde verkoopbare PMK-olie heeft geproduceerd, overweegt de rechtbank dat in de voordeelsberekening is uitgegaan van de opbrengst van MDMA-HCL, terwijl vaststaat dat veroordeelde betrokken was bij een voorfase van de productie daarvan en er geen aanwijzingen zijn voor zijn betrokkenheid bij de latere fase waarin daadwerkelijk MDMA-HCL werd geproduceerd. Het is daarom onwaarschijnlijk dat hem de opbrengst van MDMA-HCL zou toekomen, die naar verwachting hoger is dan die van PMK-olie. De rechtbank ziet overigens ook geen aanknopingspunten om op basis van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, tweede of derde lid, het voordeel van MDMA-HCL toch aan veroordeelde toe te rekenen.
De rechtbank kan daarnaast in de voordeelsberekening niet volgen dat op de opbrengst van MDMA-HCL alleen de kosten van de PMK-olieproductie in mindering zijn gebracht, en niet de waarschijnlijk hogere kosten van de productie van MDMA-HCL.
De rechtbank is om bovengenoemde redenen van oordeel dat de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van het procesdossier en de voordeelsberekening niet kan worden vastgesteld.
De rechtbank zal de vordering daarom afwijzen.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.