Het bewijs dat de verdachte het telastegelegde feit heeft begaan, kan door den rechter slechts worden aangenomen, indien hij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door den inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen.
Boek Tweede › Titel VI › afdeeling Derde
Artikel 338
Artikel 338
Onderdeel van Wetboek van Strafvordering· Procesrecht
In werking sinds 1 januari 2015