Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk V › Afdeling 6

Artikel 28j

Artikel 28j

Onderdeel van Wet op de omzetbelasting 1968· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2014

1. In deze wet en in de daarop berustende bepalingen wordt onder beleggingsgoud verstaan: goud, in de vorm van staven of plaatjes met een door de goudmarkten aanvaard gewicht, met een zuiverheid van ten minste 995/1000, al dan niet belichaamd in effecten, doch met uitzondering van bij ministeriële regeling aan te wijzen kleine staven of plaatjes met een gewicht van ten hoogste 1 gram; gouden munten die: een zuiverheid van ten minste 900/1000 hebben; na 1800 zijn geslagen; in het land van oorsprong als wettig betaalmiddel fungeren of hebben gefungeerd; normaliter verkocht worden voor een prijs die de openmarktwaarde van het in de munten vervatte goud niet met meer dan 80% overschrijdt; gouden munten die zijn opgenomen in de lijst die de Europese Commissie elk jaar publiceert in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie en die daarmee worden geacht aan de in onderdeel b opgenomen criteria te voldoen gedurende het hele jaar waarvoor de lijst wordt gepubliceerd. 2. De in het eerste lid, onderdelen b en c, bedoelde gouden munten worden, voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen, geacht niet wegens hun numismatische belang te worden verkocht.

Rechtspraak bij dit artikel