Rechtsvorderingen tot betaling van renten van geldsommen, lijfrenten, dividenden, huren, pachten en voorts alles wat bij het jaar of een kortere termijn moet worden betaald, verjaren door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden.
Boek 3 › Titel 11
Artikel 308
Artikel 308
Onderdeel van Burgerlijk Wetboek Boek 3· Goederenrecht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 1992