De minister geeft op aanvraag een visserij-arbeidscertificaat als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de wet af indien na onderzoek blijkt dat voor dat vissersvaartuig ten minste wordt voldaan aan:
de minimumleeftijd, gesteld bij of krachtens artikel 3.2, eerste en tweede lid, van de Arbeidstijdenwet;
het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 31 van de wet;
de bemanningssamenstelling, bedoeld in artikel 20 van de wet, alsmede de rusttijden, gesteld bij of krachtens paragraaf 5.2 en krachtens artikel 5:12, tweede lid, van de Arbeidstijdenwet;
de bemanningslijst, bedoeld in artikel 21 van de wet;
de overeenkomst op grond waarvan een visser aan boord werkzaam is, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de wet;
de repatriëring, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de wet;
de betaling aan vissers, bedoeld in 7, tweede lid, van de wet;
het verblijf, voeding en drinkwater, bedoeld in artikel 4, derde lid, van de wet;
de voorzieningen voor zieke zeevarenden aan boord en medische zorg, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de wet;
de arbeidsomstandigheden en ongevallenpreventie aan boord, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de wet; en
de bescherming tegen beroepsgerelateerde ziekte, ongeval of overlijden, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de wet.
Hoofdstuk 4 › Paragraaf 4.7
Artikel 4.7.1
Opsomming voorschriften C 188-verdrag
Onderdeel van Regeling bemanning zeeschepen· Vervoersrecht
Deze tekst geldt sinds 1 juli 2025