1.Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder
vergunning van de
burgemeester.
De burgemeester weigert of trekt de vergunning in
indien:
de vestiging of de exploitatie van de openbare
inrichting in strijd is met een geldend
bestemmingsplan of met een stadsvernieuwingsplan
of een leefmilieuverordening in de zin van de Wet
op de stads- en dorpsvernieuwing.
de exploitant of beheerder van de inrichting
onder curatele staat,
de exploitant of beheerder van de inrichting is
ontzet uit de ouderlijke macht of voogdij,
de exploitant of beheerder van de inrichting
niet de leeftijd van eenentwintig jaar heeft
bereikt,
de exploitant of beheerder van de inrichting in
enig opzicht van slecht levensgedrag is.
De burgemeester kan de vergunning geheel of gedeeltelijk
weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of
gedeeltelijk intrekken, of wijzigen, indien:
naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt of het
woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting
door de aanwezigheid van de inrichting nadelig wordt
beïnvloed,
aannemelijk is dat de exploitant of beheerder betrokken
is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij
activiteiten in of vanuit de inrichting, die gevaar
kunnen veroorzaken voor de openbare orde of een
bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de
omgeving van de inrichting,
de exploitant of beheerder strafbare feiten pleegt in de
inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn
inrichting strafbare feiten worden gepleegd,
de exploitant of beheerder zich schuldig maakt aan
discriminatie naar ras, geslacht of seksuele geaardheid,
zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten hebben
voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven
van de inrichting gevaar kan veroorzaken voor de
openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- of
leefklimaat in de omgeving van de inrichting,
er sprake is van een gewijzigde exploitatie of een
wijziging van exploitant waarvoor geen nieuwe vergunning
is aangevraagd, of
er aanwijzingen zijn dat in de inrichting personen
werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of
krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
Vreemdelingenwet 2000 bepaalde,
indien blijkt dat de vergunning als gevolg van onjuiste
of onvolledige gegevens en bescheiden is verleend;
indien de exploitant of beheerder van de inrichting de
bepalingen in deze paragraaf, dan wel de voorschriften
behorende bij de vergunning, overtreedt.
Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde
weigeringsgrond houdt de
burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk,
waarin het
horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de
openbare inrichting, de
spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of
bloot zal komen te
staan door de exploitatie van de openbare inrichting en de wijze
van bedrijfsvoering door de exploitant of beheerder van de
inrichting in deze of andere openbare inrichtingen.
5.In afwijking van het bepaalde in artikel 2.1.5.1 beslist de
burgemeester in geval van
een vergunningaanvraag die ook betrekking heeft op een of meer
bij de openbare inrichting
behorende terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden over
de
ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras.
6.Onverminderd het gestelde in het derde en vierde lid kan de
burgemeester de in het
vijfde lid bedoelde ingebruikneming van die weg ten behoeve van
een of meer bij de openbare inrichting horende terrassen
weigeren:
a.indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel
gevaar
oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig
en veilig
gebruik daarvan;
b.indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het
doelmatig beheer en
onderhoud van de weg.
indien het gebruik afbreuk doet aan andere publieke
functies van de openbare ruimte, inclusief de
bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan
Het bepaalde in het vijfde en zesde lid geldt niet voor
zover in het daarin geregelde
onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
rijkswaterstaatwerken of de
Wegenverordening Zuid-Holland.
8.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beschikken)
niet van toepassing.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 3 › Paragraaf 1
Artikel 2.3.1.2