1. Van terugvordering of van verdere terugvordering wordt conform artikel 58 zevende lid, van de Participatiewet en artikel 25 zesde lid, van de IOAW en de IOAZ afgezien.
2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van vorderingen die:
a. het gevolg zijn van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid;
b. door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt, behoudens voor zover zij niet op die goederen verhaald kunnen worden.
3. In beginsel wordt een besluit als bedoeld in artikel 58, zevende lid, onder a., b. of d. slechts genomen als de belanghebbende daarom schriftelijk heeft verzocht. Tot toepassing van artikel 58, zevende lid, onder c. wordt uitsluitend ambtshalve besloten.
4. Het op basis van het eerste lid genomen besluit tot (gedeeltelijk) afzien van invordering wordt ingetrokken, indien op een later tijdstip blijkt dat belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.
HOOFDSTUK 2 › Paragraaf 2.2
Artikel 7.