Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 10.

Voorwaarden voor het toekennen van individuele voorzieningen

Onderdeel van Verordening jeugdhulp gemeente Krimpen aan den IJssel 2025

1.. Het college kent een individuele voorziening toe wanneer in het ondersteuningsplan wordt vastgesteld dat de jeugdige: Zelfstandig geen oplossing voor zijn hulpvraag heeft met zijn ouder(s) of andere personen uit zijn sociaal netwerk en de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn; Geen oplossing heeft voor zijn hulpvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een andere voorziening, of; Geen oplossing heeft voor zijn hulpvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een overige voorziening. 2.. De inzet van een individuele voorziening is in beginsel tijdelijk en gericht op herstel en versterking van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en/of diens ouders. 3.. Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en er in beginsel wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie. 4.. Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in: de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut; de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden; de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg). 5.. In lijn met de ouderlijke verantwoordelijkheid, zoals opgenomen in het Burgerlijk wetboek (artikel 1:247), wordt van ouders verwacht dat zij de zorg en ondersteuning aan hun kinderen bieden, ongeacht de leeftijd van de jeugdige of omvang van de hulpvraag. 6.. Ouders moeten beschikbaar zijn om hun kinderen te ondersteunen en op te voeden. Als het gaat om de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen wordt verwacht dat: ouders opvang en toezicht van hun kind realiseren, op de volgende momenten: gedurende de dag tot vier jaar; buiten schooltijden vanaf 4 jaar (het kind volgt dan onderwijs); tijdens de nacht, en; gedurende het weekend. ouders opvang en toezicht realiseren wanneer hun kind (nog) niet (volledig) naar school gaat, buiten de momenten dat hun kind noodzakelijke jeugdhulp ontvangt. ouders hun kind begeleiden bij het deelnemen aan sociaal-recreatieve activiteiten zoals een (sport)vereniging, zwemles of buitenspelen. ouders de benodigde ondersteuning zelf bieden als de hulpvraag behoort tot de opvoedingsopgaven en/of normale uitdagingen zoals omschreven door het Nederlands Jeugdinstituut in de uitgave ‘Opgroeien en opvoeden’ en waarvan het overzicht is opgenomen in bijlage X van deze verordening. ouders de eigen aanvullende zorgverzekering aanspreken indien deze is afgesloten. 7.. Als de oorzaak van de hulpvraag is gelegen in problematiek bij de ouder, bijv. vanwege lichamelijke handicap, psychosociale problematiek of financiële problematiek, dan hoort de ondersteuning van de ouder onder de Wmo, ook als de jeugdige een handicap heeft. De hulp die daarnaast nodig is voor de jeugdige is wel jeugdhulp, of noodzakelijke opvoedondersteuning. 8.. Van ouders wordt verwacht dat zij hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen versterken door: Oorzaken van overbelasting waar mogelijk weg te nemen; Het belang van hun kind voor het belang van de (werk)carrière te stellen; Zorgverlof en andere soorten verlof in te zetten; Werktijden en aantal werkuren aan te passen; Het volgen van voorliggend beschikbare trainingen en/of cursussen om opvoedvaardigheden, in relatie tot de problematiek van de jeugdige, te vergroten; Gebruik te maken van de opvangmogelijkheden van de Wet kinderopvang, zowel voor de jeugdige met een hulpvraag als voor eventueel andere kinderen; Het sociaal netwerk in te zetten en te werken aan het vergroten van het sociaal netwerk; De jeugdige, indien mogelijk, voltijds onderwijs te laten volgen; De eigen problematiek te verminderen, bijvoorbeeld door het inzetten van begeleiding en coaching trajecten vanuit het preventief aanbod, Wmo en/of Zorgverzekeringswet. 9.. Op het moment dat de draagkracht en belastbaarheid van ouders (tijdelijk) niet toereikend zijn kan er een voorziening op basis van de Jeugdwet worden getroffen voor dit deel van de hulpvraag. Dit is het geval als: Het college, bij twijfel, door inzet van een gevalideerd instrument en/of een daartoe bevoegd deskundige vaststelt dat ouders overbelast zijn of dreigen te raken. Er voor een jeugdige van vijf jaar en ouder 24 uur per dag toezicht nodig is ter voorkoming van ernstig nadeel en er (nog) geen aanspraak gemaakt kan worden op een andere voorziening, waaronder de Wlz.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel