Voor het verkrijgen van het in artikel 4 bedoelde subsidie zenden de instellingen genoemd in artikel 1 binnen een maand na afloop van ieder kalanderjaar aan burgemeester en wethouders een opgave, welke voor elke school afzonderlijk vermeldt:
de naam van de leraar belast met het geven van godsdienstonderwijs dan wel levensbeschouwelijk vormingsonderwijs;
het aantal lesuren godsdienstonderwijs dan wel levensbeschouwelijk vormingsonderwijs;
de dagen en uren waarop deze lesuren werden gegeven;
het aantal deelnemende leerlingen, gesplitst naar groep.
Deze opgave wordt, voor de inzending, door de directeuren van de betrokken scholen gewaarmerkt.
Artikel 6
De aanvraag
Onderdeel van VERORDENING SUBSIDIERING GODSDIENSTONDERWIJS EN LEVENSBESCHOUWELIJK VORMINGSONDERWIJS OP OPENBARE BASISSCHOLEN