Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 4

Verlaging voor gehuwden

Onderdeel van Toeslagenverordening Wet Werk en Bijstand 2008 gemeente Krimpen aan den IJssel

1.. De bijstandsnorm voor gehuwden van 21 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar, wordt lager vastgesteld indien de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijk kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander. 2.. Inwonende eigen kinderen van 18, 19 en 20 jaar, alsmede inwonende eigen kinderen van 21 jaar en ouder die een financiering op grond van de Wet op studiefinanciering, dan wel een tegemoetkoming in de studiekosten op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming studiekosten ontvangen, hebben geen invloed op de te verstrekken bijstandsnorm. 3.. De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt 10% van het netto minimumloon. Artikel 5 Verlaging in verband met ontbreken van woonkosten De bijstandsnorm of de toeslag wordt lager vastgesteld indien de alleenstaande, de alleenstaande ouder of de gehuwde lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm of de toeslag voorziet, als gevolg van de bewoning van een woning waaraan geen kosten zijn verbonden. De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor personen van 21 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar 17% van het netto minimumloon. De in het tweede lid bedoelde verlagingen vinden bij voorrang plaats op de toeslag. Artikel 6 Verlaging toeslag voor alleenstaanden van 21 jaar De toeslag als bedoeld in artikel 3, tweede lid, wordt voor een alleenstaande van 21 jaar, die geen woning deelt met een ander, vastgesteld op 10% van het netto minimumloon. De toeslag als bedoeld in artikel 3, tweede lid, wordt voor een alleenstaande van 21 jaar, die een woning deelt met een ander, vastgesteld op nihil. Artikel 7 Anti-cumulatiebepaling Indien voor de belanghebbende een combinatie van een lagere toeslag en één of meer verlagingen in verband met het delen van respectievelijk het ontbreken van woonkosten of samenloop van deze verlagingen onderling van toepassing is, bedraagt de totale verlaging niet meer dan 25% van het netto minimumloon. Hoofdstuk 3. Categoriale bijzondere bijstand Artikel 8 Bijzondere bijstand Burgemeester en wethouders zijn belast met de verstrekking van bijzondere bijstand op individuele en categoriale wijze. Het college is bevoegd de bijzondere bijstand vorm te geven binnen de wettelijke kaders en is tevens bevoegd beleidsregels vast te stellen ter uniformering van de bijzondere bijstandsverlening in de vorm van richtlijnen. Hoofdstuk 4. Overige tegemoetkomingen Artikel 9 Tegemoetkomingen Burgemeester en wethouders zijn belast met de verstrekking van tegemoetkomingen, bijdragen en toeslagen die de raad uit oogpunt van aanvullende inkomensondersteuning verantwoord vindt. Artikel 8, tweede lid geldt dienovereenkomstig voor de vorengenoemde tegemoetkomingen, bijdragen en toeslagen die uit de wet of door de raad vastgestelde inkomensvoorzieningen voortvloeien. Hoofdstuk 5. Slotbepalingen Artikel 10 Richtlijnen In aanvulling op artikel 8 en 9 is het college bevoegd om de algemene bijstand vorm te geven binnen de wettelijke kaders en is tevens bevoegd beleidsregels vast te stellen ter uniformering van de algemene bijstandsverlening in de vorm van richtlijnen. Artikel 11 Uitvoering en mandatering Burgemeester en wethouders zijn belast met de uitvoering van het bepaalde in deze verordening. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het nemen van de door burgemeester en wethouders te nemen bijstandsbesluiten, voor zover het individuele aanspraken op uit kering betreft: Volgens de WWB. Volgens de Toeslagenverordening Wet werk en bijstand. - Volgens de uitkerings- en uitvoeringsvoorschriften van de minister SZW, alsmede volgens de door het college vastgestelde richtlijnen, te mandateren aan de directeur sector Samenleving (SSL), zulks onder nader door de burgemeester en wethouders te stellen regels met betrekking tot de verantwoording van de mandatering. Voorts zijn burgemeester en wethouders bevoegd ondermandaat te verlenen. De reikwijdte van het mandaat betreft tevens het instellen van bezwaar en beroep namens de gemeente, met inbegrip van procesmandaat. 3. De onder het tweede lid genoemde mandaatregeling geldt niet voor: het vaststellen van de beleidsregels in de vorm van richtlijnen; het nemen van besluiten op ingekomen bezwaarschriften. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het nemen van beheersbesluiten inzake de verlenging van bijstand, evenals het nemen van besluiten met betrekking tot de inrichting van de administratieve organisatie, te mandateren aan de directeur SSL, zulks onder nader door burgemeester en wethouders te stellen regels met betrekking tot de verantwoording van de mandatering. Voorts zijn burgemeester en wethouders bevoegd ondermandaat te verlenen. De onder 2 en 4 genoemde regeling geldt evenzeer voor de uitvoering van de producten en processen, vermeld in het jaarlijks vast te stellen sectorplan, voor zover zij geen betrekking hebben op de uitvoering van de WWB, maar op andere wettelijke regelingen. Artikel 12 Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als: Toeslagenverordening Wet werk en bijstand Krimpen aan den IJssel 2008. Artikel 13 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2008. Gelijktijdig wordt ingetrokken de Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2005. Aldus besloten door de raad van de gemeente Krimpen aan den IJssel in zijn openbare vergadering van 25 september 2008. De griffier, De voorzitter, ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING Artikel 1. Begripsomschrijving De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende betekenis als de omschrijving in de WWB. Artikel 2 Categorieën Artikel 30 van de WWB schrijft voor dat de verordening vaststelt voor welke categorieën de bijstandsnorm wordt verlaagd of verhoogd. De categorie-indeling is gebaseerd op de categorieën genoemd in artikel 21 WWB en heeft betrekking op personen van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. Artikel 3 Toeslag voor alleenstaanden en alleenstaande ouders Bij de vaststelling van de basisnorm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar, is de wetgever ervan uitgegaan dat deze de bestaanskosten geheel met een ander kan delen, net zoals dat bij gehuwden het geval is. De gehuwdenuitkering dient dan ook als uitgangspunt bij de vaststelling van de hoogte van de toeslag. Artikel 30, tweede lid WWB schrijft voor dat de toeslag, onverminderd het bepaalde in artikel 27, 28 en 29 van de wet, voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn kinderen in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt bepaald op het maximumbedrag, genoemd in artikel 25, tweede lid, van de WWB. De maximale toeslag komt neer op 20% van het netto minimumloon. In deze verordening wordt volstaan met een verwijzing naar het bedrag zoals dat in de wet is genoemd. Dit bedrag wordt regelmatig, veelal (half)jaarlijks, bijgesteld. De artikelen 27, 28 en 29 WWB geven de gemeente de bevoegdheid om voor bepaalde categorieën de bijstandsnorm of de toeslag lager vast te stellen. Dit betekent dat indien aanvrager voldoet aan de voorwaarde genoemd in artikel 25 van de wet, het toch kan zijn dat er geen recht op een toeslag bestaat van 20% van het netto minimumloon, indien de gemeente daarnaast tevens gebruik maakt van de mogelijkheid om de bijstandsnorm of de toeslag te verlagen (zie ook de artikelen 4 tot en met 6 van deze verordening). Het gezamenlijk bewonen van een woning levert schaalvoordelen op. Deze schaalvoordelen treden op omdat de woonlasten kunnen worden gedeeld. De kosten van huur, heffingen, belastingen, verzekeringen, vastrecht nutsbedrijven en dergelijke zijn voor personen die een woning delen lager, omdat deze kosten per woning slechts eenmaal in rekening worden gebracht. Deze schaalvoordelen worden geraamd op 10% van het minimumloon. Dientengevolge wordt de toeslag als gevolg van de optredende schaalvoordelen vastgesteld op 10% van het netto minimumloon. Artikel 4 Verlaging voor gehuwden Ook gehuwden kunnen schaalvoordelen genieten aangezien zij de kosten van het bestaan kunnen delen omdat zij de door hen bewoonde woning niet alleen bewonen. Deze schaalvoordelen leiden ertoe dat de gehuwdenuitkering wordt verlaagd met 10% van het netto minimumloon. Artikel 5 Verlaging in verband met ontbreken van woonkosten De bijstandsuitkering dient voldoende te zijn om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien. De kosten van het wonen maken daar deel van uit. Indien betrokkene geen woonkosten heeft, wordt de uitkering verlaagd. Uitgangspunt voor de verlaging is het bedrag dat de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer hanteert als minimumbedrag bij het toepassen van huursubsidie. Omgerekend naar een percentage van het netto minimumloon bedraagt deze verlaging, afgerond, 17% van het netto minimumloon. Artikel 6 Verlaging toeslag voor alleenstaanden van 21 jaar De uitkering voor een alleenstaande komt, bij verstrekking van de maximale toeslag van 20% van het netto minimumloon, vrijwel overeen met het netto minimumjeugdloon voor een 21-jarige en zou daardoor een belemmering kunnen vormen voor het aanvaarden van arbeid. Daarom is er aanleiding met toepassing van artikel 29 WWB de toeslag voor deze groep op een lager niveau vast te stellen. Als gevolg van fiscale maatregelen is de afstand tussen de netto inkomsten uit dienst- betrekking en de hoogte van de bijstandsuitkering in de afgelopen jaren vergroot. Voor 22-jarigen is inmiddels een aanmerkelijk verschil ontstaan, zodat voor deze leeftijdsgroep er geen sprake meer is van een belemmering voor het aanvaarden van arbeid. Artikel 7 Anti-cumulatiebepaling Indien gebruik wordt gemaakt van de verlagingsmogelijkheden zoals die in de verordening zijn genoemd dient rekening te worden gehouden met de effecten van cumulatie van factoren. Een dergelijke cumulatie kan er toe leiden dat de uitkering die overblijft onvoldoende is om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Dit artikel voorziet in een beperking van bedoelde cumulatie voor zover het gaat om het toeslagenbeleid. Gedacht is uitsluitend aan verlagingen als gevolg van: woningdelen; ontbrekende woonkosten; de lagere toeslag als bedoeld in artikel 6. Dit betekent in het geval dat de uitkering wordt verlaagd als gevolg van andere omstandigheden, zoals bijvoorbeeld tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor zelfstandige voorziening in het bestaan, dat de anticumulatie volgens artikel 7 niet van toepassing is. Artikel 8 Als gevolg van de Nota stimulering zelfredzaamheid en ondersteuning minima Krimpen aan den IJssel 2007 wordt de categoriale bijstand voor onze gemeente als nieuw instrument ingezet. Gedacht kan worden aan een Bijdrageregeling chronisch zieken en gehandicapten, ter uitvoering van artikel 10 Invoeringswet WWB. Immers: volgens de nota dient reeds vanaf 2008 aan deze doelgroep een specifieke uitkering te worden verstrekt. Hetzelfde geldt voor de nieuwe Beleidsregels Ouderentoeslag 65+. In verband hiermee wordt de Toeslagenverordening uit 2005 technisch herzien. Aangesloten wordt bij de staande praktijk, namelijk dat het college reeds voor andere vormen van bijstandverlening de aanspraken op bijstand zorgvuldig bepaalt via richtlijnen. Indien de wetgever de mogelijkheden voor categoriale bijzondere bijstand voor de toekomst verruimt, kan op grond van deze bepaling de eventuele verruiming ook onder deze bepaling worden gebracht. Bij het opstellen van deze wijziging is bijvoorbeeld sprake van een aanpassing van artikel 36 WWB met ingang van 1 januari 2009. Deze wetswijziging kan eveneens met de thans voorliggende aanpassing op de verordening worden opgevangen. Artikel 9 Tegemoetkomingen Voor de overige tegemoetkomingen e.d. die voortvloeien uit de geacualiseerde inkomensvoorzieningen wordt eenzelfde systematiek gehanteerd als bedoeld in het nieuw toegevoegde artikel 8, zodat de Nota stimulering zelfredzaamheid en ondersteuning minima 2007, door de raad vastgesteld op 17 december 2007, op een zorgvuldige wijze kan worden uitgevoerd. Artikel 10 Richtlijnen Voor de juiste uitvoering van de verordening kan het noodzakelijk zijn dat nadere uitvoeringsregels worden vastgesteld. Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om dergelijke beleidsregels vast te stellen in de vorm van richtlijnen, die in het Handboek SSL worden gepubliceerd. Het betreft niet alleen de bijstandsverlening sec, maar ook de door de raad noodzakelijk geachte aanvullingen uit hoofde van verantwoorde inkomensvoorzieningen. Artikel 11 Uitvoering en mandatering Met dit artikel wordt de bestuurlijke verantwoordelijkheid van het college gehandhaafd, maar wordt het uit oogpunt van een efficiënte inrichting van werkprocessen noodzakelijk geacht de dagelijkse besluitvorming te mandateren aan de directeur sector Samenleving. In principe worden alle individuele uitvoeringsbesluiten gemandateerd. Voortschrijdende ontwikkelingen kunnen aanleiding geven tot het vaststellen van nadere regels in de sfeer van het afleggen van verantwoording achteraf. Daartoe kan onder andere worden gerekend de verplichting van de directeur om bij klachten de portefeuillehouder te informeren over de klacht en het onderzoek daar naar. Het derde lid van artikel 11 somt limitatief enige uitzonderingen op. Het is op deze onderdelen gewenst niet te volstaan met een ambtelijke afdoening.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel