**1..** De burgemeester heeft de bevoegdheid om, indien en voor zover dat in het
belang van de handhaving van de openbare orde noodzakelijk is, te
besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een maximale periode van
vijf jaar ten behoeve van toezicht op een openbare plaats.
**2..** De burgemeester wijst de openbare plaats of plaatsen aan waar het
toezicht zal plaatsvinden.
**3..** De burgemeester stelt, na overleg met de officier van justitie in het
overleg, bedoeld in artikel 14 van de Politiewet 1993, de periode vast
waarin in het belang van de handhaving van de openbare orde
daadwerkelijk gebruik van de camera’s plaatsvindt en de met de camera’s
gemaakte beelden in elk geval rechtstreeks worden bekeken.
**4..** De burgemeester bedient zich bij de uitvoering van het in het eerste lid
van dit artikel bedoelde besluit van de onder zijn gezag staande
politie.
**5..** De aanwezigheid van camera’s als bedoeld in het eerste lid van dit
artikel is op duidelijke wijze kenbaar voor een ieder die de
desbetreffende openbare plaats betreedt.
**6..** Met de camera’s worden uitsluitend beelden gemaakt van een openbare
plaats als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties en
andere bij verordening aan te wijzen plaatsen die voor een ieder
toegankelijk zijn.
**7..** De met de camera’s gemaakte beelden mogen in het belang van de
handhaving van de openbare orde worden vastgelegd en gedurende ten
hoogste vier weken worden bewaard.
**8..** De vastgelegde beelden, bedoeld in het zevende lid, worden aangemerkt
als een tijdelijk register in de zin van de Wet politieregisters. Met
inachtneming van de Wet politieregisters kunnen uit dat register
gegevens worden verstrekt ten behoeve van de opsporing van een gepleegd
strafbaar feit.
**9..** De burgemeester informeert terstond na het nemen van het besluit als
bedoeld in het eerste lid, de gemeenteraad over de inhoud van het
besluit alsmede de redenen welke tot dat besluit hebben geleid.