**1..** Tenminste één maand voor de afloop van de duur van plaatsing als bedoeld
in artikel 2, eerste lid, zendt de burgemeester aan de raad een verslag
over de doeltreffendheid en de effecten van de plaatsing van
camera’s.
**2..** De raad kan de in artikel 2, eerste lid, bedoelde periode telkens
verlengen met een periode van maximaal vijf jaar voor zover de noodzaak
daartoe rekening houdend met de uitkomsten van het verslag als bedoeld
in het eerste lid blijkt.
**3..** Naast het verslag als bedoeld in lid 1 van dit artikel, verricht de
burgemeester een tussentijdse evaluatie indien hij de duur van het
cameratoezicht als bedoeld in artikel 2, eerste lid, drie jaar of langer
heeft bepaald.
**4..** Indien de in lid 3 van dit artikel genoemde tussentijdse evaluatie
uitwijst dat voortzetten van het cameratoezicht op de betreffende
openbare plaats(en) als bedoeld in artikel 2, tweede lid, niet langer
noodzakelijk is ter handhaving van de openbare orde, besluit de
burgemeester dat het cameratoezicht op de openbare plaats(en) wordt
beëindigd eerder dan de periode die hij bij besluit als bedoeld in
artikel 2, eerste lid, heeft vastgesteld.