Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 13

Hoogte vergrijpboeten

Onderdeel van Beleidsregels bestuurlijke boeten toeristenbelasting gemeente Noord-Beveland

1.. Vergrijpboeten kunnen alleen worden opgelegd indien sprake is van grove schuld of opzet. 2.. In geval van grove schuld legt de heffingsambtenaar een vergrijpboete op van 25 procent van de feitelijk geheven belasting. Dit geldt ook indien de omvang van de feitelijk geheven belasting is vastgesteld met toepassing van de omkering van de bewijslast. 3.. In geval van opzet legt de heffingsambtenaar een vergrijpboete op van 50 procent van de feitelijk geheven belasting. Dit geldt ook indien de omvang van de feitelijk geheven belasting is vastgesteld met toepassing van de omkering van de bewijslast. 4.. Indien bij het opleggen van een vergrijpboete slechts een gedeelte van de verschuldigde belasting door opzet of grove schuld van belanghebbende te weinig is of zou zijn geheven, berekent de heffingsambtenaar de boete over dat - naar evenredigheid bepaalde – gedeelte. Dit beginsel vindt overeenkomstige toepassing indien meer dan één boetepercentage moet worden toegepast. 5.. Indien een aangifte voor een aanslagbelasting, met opzet niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan, legt de heffingsambtenaar gelijktijdig met de aanslag een vergrijpboete op. 6.. Het opleggen van een vergrijpboete wegens het met opzet niet binnen de termijn doen van aangifte is niet mogelijk. 7.. Indien een onjuiste of onvolledige aangifte is gedaan, wordt de vergrijpboete gebaseerd op het belastingbedrag dat is toe te rekenen aan de correcties ter zake van een of meer tekortkomingen in de aangifte waaraan de kwalificatie ‘opzet’ kan worden verbonden. 8.. Als sprake is van het niet doen van aangifte wordt de vergrijpboete berekend over de belasting van de gehele (geschatte) aanslag. 9.. Onder het bedrag van de aanslag wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan het bedrag van de aanslag na verrekening van voorheffingen en voorlopige aanslagen. 10.. Indien het aan opzet of grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven, legt de heffingsambtenaar gelijktijdig met de navorderingsaanslag, een vergrijpboete op. 11.. Worden de feiten en omstandigheden op grond waarvan wordt nagevorderd eerst bekend op of na het tijdstip dat is gelegen zes maanden voor het verstrijken van de navorderingstermijn, dan kan de heffingsambtenaar binnen zes maanden na de vaststelling van de navorderingsaanslag nog een vergrijpboete opleggen. In dat geval deelt de heffingsambtenaar de belanghebbende gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag mee dat nog onderzoek plaatsvindt of het opleggen van een vergrijpboete gerechtvaardigd is.

Rechtspraak bij dit artikel