Naar hoofdinhoud

Artikel 10

Procedure bij reguliere beoordeling

Onderdeel van Regeling functioneringsgesprekken en beoordelen 2009

1.. De eerste beoordelaar bepaalt, na overleg met de te beoordelen medewerker, de datum en het tijdstip van het beoordelingsgesprek. 2.. Tijdens het beoordelingsgesprek wordt de beoordeling door de eerste beoordelaar toegelicht. De medewerker wordt in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. De beoordelaar maakt een samenvatting van de visie van de beoordeelde en legt dit vast op het beoordelingsformulier. 3.. Indien sprake is van 2 beoordelaars legt de eerste beoordelaar zijn of haar conceptbeoordeling voor aan de tweede beoordelaar. 4.. De tweede beoordelaar toetst de beoordeling en geeft de bevindingen aan op het conceptbeoordelingsformulier. 5.. De eerste beoordelaar maakt vervolgens, na eventuele bespreking met de tweede beoordelaar, een definitieve beoordeling op. 6.. De medewerker kan zich door een raadsman laten bijstaan. 7.. Nadat het beoordelingsformulier definitief is ingevuld, wordt dit door de beoordelaar(s) ondertekend. De beoordeelde medewerker tekent het formulier ‘voor gezien’. 8.. Indien de beoordeelde medewerker niet ‘voor gezien’ wil tekenen, wordt dit schriftelijk vastgelegd op het beoordelingsformulier. 9.. De beoordeling c.q. het beoordelingsformulier wordt door of namens het college vastgesteld door het verantwoordelijke MT-lid, tenzij deze als tweede beoordelaar optreedt. In dat geval wordt de beoordeling vastgesteld door de gemeentesecretaris. 10.. De uitslag van de beoordeling, inclusief een afschrift van het beoordelingsformulier, wordt aan de medewerker schriftelijk ter beschikking gesteld, waarbij tevens de eventuele rechtspositionele gevolgen worden aangegeven. Ook wordt daarbij aangegeven wat de bezwaar- en beroepsmogelijkheden zijn.

Rechtspraak bij dit artikel